(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Biodiversity Heritage Library | Children's Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of "De Ster"


Uitgave van De Kerk 
van Jezus Christus van de 
Heiligen der Laatste Dagen 



September 1980 
80ste jaargang 
Nummer 9 



Eerste Presidium: Spencer W. Kimball, N. Eldon Tanner, Marion G. Romney. 

Raad der Twaalf: Ezra Taft Benson, Mark E. Petersen, Le Grand Richards, Howard W. Hunter, 
Gordon B. Hinckley, Thomas S. Monson, Boyd K. Packer, Marvin J. Ashton, Bruce R. 
McConkie, L. Tom Perry, David B. Haight, James E. Faust. 

Adviseurs: M. Russell Ballard, Rex D. Pinegar, Hugh W. Pinnock. 

Redacteur kerkelijke tijdschriften: M. Russell Ballard. 

Redactie De Ster: Larry A. Hiller, Carol Larsen, Roger Gylling, Henri J. Tenthof van Noorden, 
Kerkelijk Vertaalbureau, Mauritsstraat 100, 3583 HW Utrecht. 

Nieuwsredacteur: Dirk van Boxel, Ringkantoor, postbus 84084, 2508 AB Den Haag. 



Inhoudsopgave 



De gevolgen van het verkiezen van ongeloof. N. Eldon Tanner 1 

De Parel van Grote Waarde: Een uniek stuk schriftuur. James R. Harris .... 6 

Vroege families van de aarde. Edwardt J. Brandt 14 

Op zoek naar een eigen volk van God. Rodney Turner 19 

De Bijbel en zijn rol bij de herstelling. Robert J. Matthews 26 

Joseph Smiths bekendheid met persoonlijkheden uit het Nieuwe Testament . . 30 

De vertaling van Joseph Smith (JST) 35 

Het onveranderlijke evangelie van twee Testamenten. Ellis T Rasmussen .... 36 

Nigeria en Ghana. Janet Brigham 40 

Doen! Robert L. Simpson 46 

Kinderster 

Van bomen tot timmerhout. Alan W. Farrant 1 

De slee. Eldred G. Smith 2 

Mijn dagboek. Rae Merritt 4 

Voor de grap 7 

Alle soorten 8 



Jaarabonnement: 

Fl. 21,60 storten op Citibank Amsterdam, rekeningnummer 266041434, 

De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen. 

Bf. 330 storten op Citibank Antwerpen, rekeningnummer 570-0157-600-33, 

De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen. 

USA en Canada (niet per luchtpost): $ 10.00. 

© 1980 by the Corporation of the President of The Church of Jesus Christ of Latter-day Saints. 
All rights reserved. 

Verlag Kirche Jesu Christi der Heiligen der Letzten Tage, PorthstraBe 5-7, 
D-6000 Frankfurt am Main 50. 



Printed in the Federal Republic of Germany 



PB MA 0493 DU 



Boodschap van het Eerste Presidium 



DE 

GEVOLGEN VAN HET 

VERKIEZEN VAN 

ONGELOOF 




Door president N. Eldon Tanner 
Eerste raadgever in het Eerste Presidium 



Ik ken twee mannen die min of meer 
op dezelfde manier zijn begonnen. 
Beiden werden geboren in een gezin 
met ouders die actief lid van de kerk 
waren en in dezelfde buurt woon- 
den. Zij hoorden bij dezelfde wijk, 
hadden dezelfde huisonderwijzers, 
dezelfde bisschop, dezelfde vrien- 
den, en zij zaten zelfs op dezelfde 
school. 

Vandaag zijn deze twee mannen zo 
anders als maar zijn kan, niet alleen 
wat betreft hun beroepsmatige be- 
zigheden, maar ook op het gebied 
van hun levensbeschouwing en hun 
geestelijke instelling. Beiden hebben 
uitstekend carrière gemaakt en ken- 
nen geen enkele financiële zorg, 



maar daar eindigen de overeenkom- 
sten. De ene bekleedt een verant- 
woordelijke positie in de kerk en 
heeft een aantal zoons en dochters 
die hun ouders eren en overeenkom- 
stig de leerstellingen van de kerk le- 
ven, waarbij zij ernaar streven hun 
fijne ouders, hun kerk en de maat- 
schappij eer aan te doen. 
De andere man werd geleidelijk aan 
inactief, trouwde buiten de kerk en 
werd de vader van meerdere kinde- 
ren, waarvan er minstens twee een 
voortdurende bron van bezorgdheid 
waren wegens bepaalde invloeden in 
hun leven, waardoor zij schijnbaar 
constant betrokken waren bij wetso- 
vertredingen, zoals te hard rijden, 



1 



rijden onder invloed van sterke 
drank, gebruik van verdovende mid- 
delen, enz. 

Wij bemerken deze contrasterende 
levensstijlen overal om ons heen; het 
is niet mijn bedoeling daar een oor- 
deel over uit te spreken ofte bepalen 
wie er verantwoordelijk is voor een 
dergelijk gedrag. Toen echter deze 
tweede man in zijn vertwijfeling 
naar mij toekwam om advies in te 
winnen, werd ik ertoe gebracht de 
invloeden te overdenken waardoor 
mensen worden afgetrokken van 
hun geloof en overtuigingen. Ik 
overwoog de omstandigheden die 
deze twee mannen tot hun huidige 
levenspositie hadden ingevoerd, en 
werd herinnerd aan de waarschu- 
wing die Paulus de ouderlingen te 
Efeze gaf toen hij zei: 
„Ziet dan toe op uzelf en op de gehe- 
le kudde, waarover de Heilige Geest 
u tot opzieners gesteld heeft, om de 
gemeente Gods te weiden, die Hij 
Zich door het bloed van zijn Eigene 
verworven heeft. 

Zelf weet ik dat na mijn heengaan 
grimmige wolven bij u zullen bin- 
nenkomen, die de kudde niet zullen 
sparen; 

en uit uw eigen middelen zullen 
mannen opstaan, die verkeerde din- 
gen spreken om de discipelen achter 
zich aan te trekken." (Handelingen 
20:28-30.) 

Later, nadat hij God had gedankt 
voor de liefde, getrouwheid en hoop 
van de Kolossenzen bij hun aan- 
vaarding van het evangelie van Jezus 
Christus, waarschuwde Paulus hen 
als volgt: 



„Ziet toe, dat niemand u medeslepe 
door zijn wijsbegeerte en door ijdel 
bedrog in overeenstemming met de 
overlevering der mensen, met de we- 
reldgeesten en niet met Christus." 
(Kolossenzen 2:8.) 

Waarom worden sommigen misleid 
door de wijsbegeerten der mensen, 
terwijl anderen in staat zijn door ge- 
loof het evangelie en de verschillen- 
de leerstellingen te aanvaarden? 
Sommigen zijn als Tomas, die niet 
bij de Twaalf was toen Jezus na zijn 
opstanding aan hen verscheen. U 
zult zich herinneren dat Tomas zei: 
„Indien ik in zijn handen niet zie het 
teken der nagels en mijn vinger niet 
steek in de plaats der nagels en mijn 
hand niet steek in zijn zijde, zal ik 
geenszins geloven." 
Acht dagen later, toen Jezus weer 
verscheen en Tomas bij de anderen 
was, zei Hij: 

„Breng uw vinger hier en zie mijn 
handen en breng uw hand en steek 
die in mijn zijde, en wees niet ongelo- 
vig, maar gelovig." 
Toen Tomas zich gewonnen had ge- 
geven, zei de Heiland: 
„Omdat gij Mij gezien hebt, hebt gij 
geloofd? Zalig zij, die niet gezien 
nebben en toch geloven." (Johannes 
20:25,27,29.) 

Ik denk soms dat wij het gevoel heb- 
ben, dat er tegenwoordig meer 
woordentwist en onzekerheid en 
meer tegen Christus gerichte gevoe- 
lens zijn dan ooit tevoren. Dat is 
misschien wel zo wanneer wij reke- 
ning houden met de toegenomen 
wereldbevolking, maar er zijn altijd 
andersdenkenden en vervolgers en 



valse profeten geweest, die erop uit 
waren de mensen op 't verkeerde 
pad te brengen en het plan van God, 
de Vader, te vernietigen. 

Dit zijn de woorden van president 
Joseph F. Smith op de algemene 
conferentie van oktober 1909: 

„Er is misschien nooit een tijd ge- 
weest dat er meer valse profeten wa- 
ren dan juist nu, dat er meer mannen 
met visioenen of meer valse Christus- 
sen waren dan juist nu. Wij krijgen 
bijna iedere dag brieven, bevelen, 
bedreigingen, vermaningen, waar- 
schuwingen en openbaringen van 
hen. . . Er is geen mens die een of 
ander dwaas denkbeeld koestert, of 
het plan heeft een of andere kerk te 
organiseren, die, ongeacht hoe onlo- 
gisch zijn beweringen ook zijn, niet 
iemand zal vinden die bereid is hem 
te volgen, iemand die even dwaas is 
als hij, en die even weinig weet. De 
getrouwe heiligen der laatste dagen 
is het recht gegeven de waarheid te 
kennen zoals God deze kent; en er is 
geen macht onder het celestiale ko- 
ninkrijk die hem kan doen afdwalen, 
zijn begrip kan verduisteren, of zijn 
geloof in of kennis van de beginselen 
van het evangelie van Jezus Christus 
kan verminderen. Het is niet moge- 
lijk, want het licht van God schijnt 
helderder dan het licht van een on- 
waarheid of vergissing; daarom rij- 
zen allen die het licht van Christus, 
de geest van openbaring en de ken- 
nis van God bezitten boven al zulke 
grillen van de wereld uit; zij weten 
dat deze leer van God is en niet van 
de mens." (Gedeeltelijk uit Evange- 
lieleer, blz. 6,7.) 



Wij hebben het geluk het doel van 
Christus' zending te begrijpen, het 
evangelie te bezitten, te worden ge- 
leid door een profeet van God en te 
worden bemoedigd door de getuige- 
nissen van de algemene autoriteiten 
en van anderen die getuigen van de 
waarachtigheid van het evangelie 
van Jezus Christus. Wij worden er- 
toe aangemoedigd te studeren en 
voor onszelf de kennis te verwerven 
dat dit werk waar is en dat ieder 
mens dit getuigenis kan hebben door 
middel van studie en gebed. 
In oktober 1935 sprak ouderling 
Stephen L. Richards, destijds lid van 
de Raad der Twaalf, de aanwezigen 
op de algemene conferentie als volgt 
toe: 

„Mijns inziens vergt het een even 
grote mate van intelligentie om de 
dingen van de geest te begrijpen en te 
vertolken als voor het bevatten van 
de waarheden van de wetenschap en 
andere wereldse zaken. Ik geloof dat 
prestaties op het terrein van de gods- 
dienst even achtenswaardig en prij- 
zenswaardig en groots zijn als pres- 
taties op het gebied van de weten- 
schap, van zaken en handel, en alle 
andere aardse aangelegenheden. 

Naar mijn mening zijn er heel veel 
mensen op deze aarde die het niet zo 
zien. Ik ben ervan overtuigd dat de 
mensen van de wereld, in hun eigen 
ogen, de werkelijke plaats en waarde 
van het geestelijk leven en van gods- 
dienstige activiteit dermate hebben 
neergehaald, dat zij zijn wegge- 
troond van trouw aan godsdienstige 
instellingen, geestelijke begrippen, 
en deze geweldige wereld die zich 



voorbij deze zogenaamde natuurlij- 
ke wereld bevindt. Mijns inziens is 
dit het grootste ongeluk wat het 
mensdom kan overkomen, en ik ge- 
loof dat de jeugd van onze kerk he- 
laas niet vrij is van de invloed van 
deze wereldse filosofie, die het ver- 
stand en het denken van de mensen 
zo heeft overstelpt." 
Hij gaf uiting aan zijn grote be- 
zorgdheid voor de jonge mensen van 
het land, die onderworpen werden 
aan wereldse levensbeschouwingen 
die het bestaan van de geestelijke 
wereld verloochenen en zei: 
„Hun schoolopleiding heeft niet 
weinig bijgedragen aan deze situatie; 
misschien niet met opzet, maar toch 
is het gebeurd. Want ik twijfel er niet 




aan of er zijn vele jongemannen en 
jonge vrouwen te vinden die hun ge- 
loof zijn kwijtgeraakt en zich hebben 
afgewend van de oude gebruiken en 
de oude tradities vanwege het feit 
dat die dingen niet alleen zijn nagela- 
ten, maar doelbewust zijn genegeerd 
en dikwijls afgekamd door school- 
systemen en invloeden, waaraan de 
jonge mensen werden bloot- 
gesteld . . . 

Ik geloof, dat wanneer ik een beroep 
doe op de leerkrachten van dit land 
om er bij hun leerlingen op aan te 
dringen ontvankelijk te blijven voor 
al deze zaken die het geloof van hun 
vaders betreffen, ik niet alleen de 
gevoelens van onze eigen kerk ver- 
tolk, maar eveneens die van alle goe- 
de, godsdienstige mensen die ernaar 
streven de jonge mensen van hun 

kerk de geest, de theologie en de 
tradities bij te brengen die zij 
voorstaan. 

Het is zo gemakkelijk om geloof te- 
gen te gaan in deze wereld van stof- 
felijke zaken, in deze wereld van de 
wetenschap, waarin wij zo de na- 
druk hebben gelegd op alle weten- 
schappelijke processen en ontwikke- 
lingen die de afgelopen paar decen- 
nia zozeer de aandacht hebben ge- 
trokken. Het is zo gemakkelijk om 
met een enkel woord geloof te on- 
dermijnen. Ik wou dat zij die het in 
hun vermogen hebben de gezichts- 
punten van de jonge mensen te vor- 
men, hun karakter te ontwikkelen, 
ja, ik wou zo graag dat zij voorzich- 
tig waren. 

Als belastingbetaler en een voors- 
tander van het openbaar onderwijs, 



waar ik bewondering voor heb, dat 
ik beschouw als een van de grootste 
factoren voor het beschaven van het 
ras, dat ik altijd heb beschouwd als 
een onontbeerlijk component van 
een democratie en waar mijn kinde- 
ren van afhangen voor hun onder- 
wijs, ben ik altijd van mening ge- 
weest dat zij aan wie dat onderwijs is 
toevertouwd geen enkel recht heb- 
ben om maar één woord te zeggen of 
maar één gedachte aan te kweken 
die afbreuk zal doen aan het geloof 
van mijn kinderen en hen weg zal 
voeren van de filosofie van het 
geloof. 

Onze jonge mensen zijn bijzonder 
vatbaar voor invloeden die hen van 
het geloof wegvoeren omdat zij, 
mijns inziens, niet altijd een vol- 
doende en juist begrip hebben van 
het evangelie van Christus. Soms, 
vrees ik, schijnen zij zich zo blind te 
staren op de verboden en de gebo- 
den, dat zij er niet in slagen de posi- 
tieve, mooie, levenschenkende, 
vreugdevolle boodschap van het 
evangelie van Jezus naar waarde te 
schatten. . . 

Ik wou dat het voor ons mogelijk 
was onze jeugd te leren dat alle blij- 
vende voldoening waar zij ooit op 
kunnen hopen, alle werkelijke 
vreugde en genoegens van het leven, 
verkregen kunnen worden door te 
leven in overeenstemming met de 
beginselen van het evangelie en niet 
door zich ertegen te verzetten." 
(Conference Report van oktober 
1935, blz. 94-96.) 

Er is geen geluk of vrede des harten, 
behalve door gehoorzaamheid aan 



Gods geboden. Er is geen zaligheid 
of eeuwig leven, behalve door aan- 
vaarding van het evangelie en leven 
overeenkomstig de leringen ervan. 
Er is geen enkel probleem waarmee 
de naties van de wereld of mensen 
worden geconfronteerd waarvoor 
de oplossing niet kan worden gevon- 
den in het evangelie van Jezus Chris- 
tus. Dat is het doel waarvoor Hij 
naar de aarde kwam - om ons een 
plan van leven en zaligheid te geven 
waardoor wij gelukkig konden zijn 
en eeuwig leven konden verwerven. 
Mag ik u herinneren aan de bood- 
schap van Paulus aan de Efeziërs: 
Er is „één lichaam en één Geest, ge- 
lijk gij ook geroepen zijt in de ene 
hoop uwer roeping, één Here, één 
geloof, één doop, één God en Vader 
van allen, die is boven allen en door 
allen en in allen . . . 
En Hij heeft zowel apostelen als pro- 
feten gegeven, zowel evangelisten als 
herders en leraars, om de heiligen 
toe te rusten tot dienstbetoon, tot 
opbouw van het lichaam van Chris- 
tus, totdat wij allen de eenheid des 
geloofs en der volle kennis van de 
Zoon Gods bereikt hebben, de man- 
nelijke rijpheid, de maat van de was- 
dom der volheid van Christus. 
Dan zijn wij niet meer onmondig, op 
en neder, heen en weder geslingerd 
onder invloed van allerlei wind van 
leer, door het valse spel der mensen, 
in hun sluwheid, die tot dwaling ver- 
leidt, maar dan groeien wij, ons aan 
de waarheid houdende, in liefde in 
elk opzicht naar Hem toe, die het 
hoofd is, Christus." (Efeziërs 4:4-6, 
11-15.) □ 



DE PAREL VAN 

GROTE WAARDE: 

EEN UNIEK 

STUK SCHRIFTUUR 



Door James R. Har ris 
Assistent-hoogleraar Oude Schriftuur aan de Brigham Young Universiteit 



Foto van het oorspronkelijke papyrus manuscript waar de profeet Joseph Smith 

facsimile No. 1 in het Boek van Abraham en de Parel van Grote Waarde vandaan 

haalde. Dit waardevolle en belangrijke manuscript, alsmede tien andere stukken 

papyrus die eens het bezit waren van de profeet Joseph Smith, werd in het begin 

van 1966 opnieuw ontdekt en op 27 november 1967 aan de kerk aangeboden door 

het New York Metropolitan Museum of Art. 




Wat weet u van de 
Parel van Grote 
Waarde? Peil uw 
kennis van dit 
kleinste standaard- 
werk door een ant- 
woord te geven op 
de volgende 
vragen: 



Waar of niet waar 

IHet Boek van Mozes en 
# Joseph Smith 1 zijn de- 
len van Joseph Smiths 
geïnspireerde herziening 
van de Bijbel. 

2 Sommige delen van het 
9 Boek van Mozes zijn een 
teruggave van materiaal 
dat volkomen ontbreekt 
in de Bijbel, terwijl ande- 
re delen een herziening 
zijn van bestaande bij- 
belteksten. 

3 Abraham legde zijn kro- 
niek aan naar het voor- 
beeld van de patriarchale 
kroniek. 

4 Slechts één deel van het 
s Boek van Abraham is 
uitgegeven. 

5 De satan verzocht 
s Mozes. 

6 Geheime verenigingen 
m zijn ontstaan onder het 
volk van het Boek van 
Mormon. 



8 



' Grote en edele geesten 
# hielpen Christus bij de 

schepping van deze 

wereld. 

Henoch verzette zich 
aanvankelijk tegen de 
oproep om de Heer te 
dienen. 

I De oudste Schriftuur 
m die op deze aarde is 
voortgebracht is 
Adams gedenkboek. 

Het evangelie werd 
« onderwezen aan de 
eerste mens, Adam, 
en hij werd gedoopt. 

Alhoewel er vele be- 
dieningen van het 
evangelie zijn geweest, 
worden er zeven 
hoofdbedelingen ge- 
noemd in de Parel 
van Grote Waarde. 



(Al deze uitspraken zijn waar, behalve nummer 6.) 



10 

11 



1 Zijn het Boek van Mozes 
en Joseph Smith 1 delen 
van Joseph Smiths 
geïnspireerde herziening 
van de Bijbel? 

Uit de tekst van het Boek van Mormon 
blijkt dat vele duidelijke en hoogst waar- 
devolle zaken uit de Bijbel waren wegge- 
nomen. (Zie 1 Nephi 13:26,28,32.) Zou 
het verloren materiaal worden terugge- 
geven? (Zie 1 Nephi 13:34.) Zou de tekst 
van de Bijbel worden hersteld? 



Rond juni 1830 waren Joseph Smith en 
de jonge kerk het object geweest van 
aanzienlijke vervolging. Om hen te ster- 
ken en te schragen in het uur van hun 
nood, gaf de Heer hen een openbaring 
die Orson Pratt later de Visioenen van 
Mozes noemde. Deze openbaring zou 
mettertijd grote invloed hebben op de 
leerstellige ontwikkeling van de kerk en 
had het onmiddellijke effect dat de pro- 
feet en zijn vrienden te midden van de 
moeilijkheden en beproevingen, die zij 
geroepen waren te verdragen, werden 
gesterkt. In zijn dagboek leidde de pro- 



feet de openbaring met deze woorden in: 
„Ik wil echter wel zeggen, dat te midden 
van alle moeilijkheden en beproevingen 
waar wij doorheen moesten worstelen, 
de Heer, onze kinderlijke en zwakke 
toestand goed kende, ons een voorraad 
kracht verleende, en ons, regel op regel 
van kennis - hier een weinig en daar een 
weinig' schonk, waarvan het volgende 
(Mozes 1:1-42) een kostbaar stukje is." 
Kort nadat deze openbaring was gege- 
ven, begon Joseph Smith aan een project 
dat gedurende de komende jaren veel 
van zijn tijd, studie en vrome gedachten 
in beslag zou nemen. Dit project was het 
voltooien van een geïnspireerde herzie- 
ning van de Bijbel. Het Boek van Mozes 
is een fragment uit de geïnspireerde her- 
ziening van Genesis, terwijl Joseph 
Smith 1 de herziening van de profeet is 
van het vierentwintigste hoofdstuk van 
Matteüs. De fragmenten uit het Boek 
van Mozes werden tijdens het leven van 
de profeet stukje voor stukje klaarge- 
maakt en gedrukt. (Zie het schema, ge- 
baseerd op het onderzoek van dr. James 
R. Clark.) 



„Het kan goed zijn om hier op te merken 
dat de Heer het geloof van zijn kleine 
kudde, die de volheid van het eeuwig 
evangelie, zoals die hen in het Boek van 
Mozes was geopenbaard had omhelsd, 
ten zeerste aanmoedigde en versterkte 
door hen meer uitvoerige kennis te geven 
over de Schriften, waarvan de vertaling 
reeds ter hand was genomen. Er werd 
onder de heiligen veel gegist en gespro- 
ken over de boeken waar op verschillen- 
de plaatsen in het Oude en het Nieuwe 
Testament melding van werd gemaakt, 
maar die nu nergens te vinden waren. 
Over 't algemeen werd er gezegd ,Dat 
zijn verloren boeken'; maar het schijnt 
dat de apostolische kerk in het bezit was 
van een aantal van deze geschriften, daar 
Judas in zijn brief de profetie van He- 
noch, de zevende van Adam af, aan- 
haalt. Tot grote vreugde van de kleine 
kudde, die in haar geheel, van Colesville 
tot Canandaigua in de staat New York 
ongeveer zeventig leden telde, openbaar- 
de de Heer de volgende handelingen uit 
vroeger tijden, uit de profetie van He- 
noch." (History of the Church, deel 1, 
blz. 131,133.) 



*J Is het Boek van Mozes 
een herziening en lof een 
teruggave van de bijbelse 
tekst? 

In de acht hoofdstukken die samen het 
Boek van Mozes vormen, hebben wij 
grote gedeelten die een volledige terug- 
gave vormen van stof die nergens anders 
in de Schriften wordt gevonden. De zo- 
genaamde fragmenten uit de profetie 
van Henoch vormen de grootste terug- 
gave in het Boek van Mozes en mis- 
schien wel in de gehele geïnspireerde her- 
ziening van de Bijbel. Vlak voordat hij in 
zijn dagboek melding maakt van deze 
openbaring merkte de profeet op: 



Fragment uit de Voor het 

geïnspireerde herziening eerst versche- 
van de Bijbel nen in 



Mozes 1:1-42 
Mozes 2:1 tot 5:59 

Mozes 6:1-42 

Mozes 6:1-42 
Mozes 7:1-69 

Mozes 8:1-30 



januari 1844 
april 1833 
(incompleet) 
augustus 
1832 

maart 1833 
augustus 
1832 
april 1833 



De profetie van Henoch was de kerk in 
het midden des tijds bekend, maar voor 



de moderne christenen verloren gegaan 
totdat zij in december 1830 werd terug- 
gegeven. Deze profetie verschafte kennis 
die de kerk zou aanmoedigen om Zion 
op te bouwen zoals het Zion van Henoch 
was geweest. Evenals de herstelling van 
Mozes 1:1-42, diende zij ter versterking 
van de groeiende kerk. 



*J Legde Abraham zijn kro- 
niek aan naar het voor- 
beeld van de patriarchale 
kroniek? 

Geïnspireerd door „de kronieken van de 
vaderen, de patriarchen," die bewaard 
waren gebleven en in zijn bezit waren 
gekomen, legde Abraham uit: „. . . en ik 
zal trachten enkele van deze dingen in 
deze kroniek te schrijven, ten nutte van 
mijn nageslacht dat na mij zal komen." 
(Abraham 1:31.) 



Werd het gehele Boek 
van Abraham uitgegeven? 

Alles wat nu is uitgegeven als het Boek 
van Abraham, werd in het tijdschrift Ti- 
mes and Seasons uitgegeven tussen 1 
maart en 16 mei van het jaar 1842. In 
februari 1843 volgde John Taylor Jo- 
seph Smith op als redacteur. In een arti- 
kel gericht tot de abonnees schreef ou- 
derling Taylor, „Wij hebben de toezeg- 
ging van broeder Joseph dat hij ons zal 
voorzien van verdere fragmenten van 
het Boek van Abraham." Kennelijk is 
hier door omstandigheden verder niets 
van gekomen. 

Wat was de inhoud van het niet uitgege- 
ven deel van het Boek van Abraham? 
Wij kunnen er slechts naar raden dat het 
misschien een voortzetting was van het 
relaas van Abrahams ervaringen in 



Egypte. Facsimile no. 1 is een illustratie 
die voorafgaat aan en betrekking heeft 
op de inlichtingen die in hoofdstuk 1 
worden gegeven. Facsimile no. 2 gaat 
vooraf aan en vormt een aanvulling op 
de inlichting die in Abraham 3 wordt 
gevonden. Hieruit volgt dat Facsimile 
no. 3 vooraf hoort te gaan aan een relaas 
van Abrahams ervaringen in Egypte. 
Deze facsimile is een toelichting van het 
ontbrekende gedeelte van het Boek van 
Abraham. 

Het is onmogelijk om vast te stellen hoe 
uitgebreid dit verslag is geweest. Vers 15 
van hoofdstuk 3 zou erop wijzen dat 
Abraham was geroepen om de Egypte- 
naren te onderwijzen wat God hem had 
geopenbaard. Abraham zette de begin- 
selen uiteen van de astronomie, van het 
voorsterfelijk bestaan, van dde ordening 
in het voorbestaan van de schepping. 
Hoeveel meer beginselen van het evan- 
gelie heeft hij onderwezen? In de verkla- 
ring van Facsimile no. 3 wordt ons me- 
degedeeld dat Abraham de instructies 
van de Heer uitvoerde door „aan het hof 
van de koning over de beginselen van de 
astronomie (te spreken)." Het zou ver- 
helderend zijn te weten welke omstan- 
digheden Farao ertoe brachten Abra- 
ham uit te nodigen om op zijn troon 
plaats te nemen en hem en zijn huishou- 
den te onderrichten. 



C Trachtte de satan Mozes 
te verzoeken? 

Het antwoord is ja. (Zie Mozes 1:12-23.) 
Het doet vreemd aan dat zo'n belangrij- 
ke en dramatische ontmoeting niet 
wordt beschreven in de bijbelse geschrif- 
ten van Mozes. Maar een verklaring in 
Mozes 1 :23 legt uit dat dit gebeuren we- 
gens goddeloosheid verborgen was ge- 
houden voor de wereld. Maar nu is het, 
door de bediening van Joseph Smith, 



weer bekend onder de mensenkinderen. 
Hoewel de naam of aanduiding „satan" 
of „tegenstander" in geen van de hoofd- 
stukken van Genesis voorkomt, en even- 
min in de vijf bijbelse boeken van Mo- 
zes, komen we hem tweeëndertig keer 
tegen in de eerste zeven hoofdstukken 
van het Boek van Mozes in de Parel van 
Grote Waarde. De satan was aan Adam, 
Kaïn, Lamech, Henoch en Mozes, zo 
niet het gehele kamp van Israël, bekend. 
Uit de Parel van Grote Waarde leren wij 
dat: 

a. De satan een werkzame en volharden- 
de tegenstander in het leven van Mozes 
was. (Zie Mozes 1 : 12-22.) Vier keer werd 
hem geboden heen te gaan voordat hij 
daadwerkelijk vertrok. 

b. De satan een persoon van aanzienlijke 
macht is en alleen kan worden wegge- 
stuurd door hen die een onwrikbaar ge- 
loof hebben in de Eniggeborene, Jezus 
Christus. De bevelen van de gelovige 
Mozes begonnen pas indruk op de satan 
te maken nadat Mozes, met al het geloof 
dat in hem was, God had aangeroepen 
en kracht van de Heer had ontvangen. 
(Zie Mozes 1:19-23.) 

c. De satan die uit de hemel werd neder- 
geworpen, voortgaat in zijn gevallen 
staat, de machten van het licht bestrijdt, 
de mensen misleidt, en tracht ieder goed 
werk en iedere versterkende, opbouwen- 
de ervaring van de mens te dwarsbomen. 
Vanaf de dagen van Adam door ieder 
tijdperk van de wereld heen, heeft de 
satan oorlog gevoerd tegen de heiligen. 
(Zie Mozes 4:4; 6:49; LV 76.) 

d. De satan iemand was die door zijn 
eigen vrije wil, zijn bereidheid om God te 
tarten, de verpersoonlijking van het 
kwaad werd. Uit de tekst blijkt duidelijk 
dat de satan een vals plan van zaligheid 
naar voren bracht: „Ik zal het ganse 
mensdom verlossen, dat niet één ziel ver- 
loren ga." Hij predikt nog steeds zijn 
valse plan door middel van iedere filoso- 



fie, methode of discipel die geen geloof 
in God opbouwt. Bovenstaande passage 
identificeert ook de oorsprong van het 
kwaad. (Zie Mozes 4:1-4.) 
„Voor zover het de mensen op deze aar- 
de betreft, vond het kwaad zijn oor- 
sprongin het voorsterfelijk bestaan. De 
Eeuwige Vader gewon geestelijke kinde- 
ren, stelde wetten in waardoor zij voor- 
uitgang zouden kunnen maken, en 
schonk hen een vrije wil. Ongehoor- 
zaamheid aan die wetten was uiteraard 
zondig, en bijgevolg zou er zonder de 
mogelijkheid om te zondigen geen hoop 
zijn op vooruitgang en uiteindelijke ver- 
hoging. Lucifer en een derde deel van de 
geestelijke heerscharen des hemels ver- 
kozen het kwade boven het goede, oe- 
fenden hun vrije wil niet in gerechtigheid 
uit, en toen zij ten slotte openlijk rebel- 
leerden tegen de Heer, werden zij op de 
aarde uitgeworpen en werd hun een ster- 
felijk lichaam ontzegd. (Mozes 4:1-4; 
Abraham 3:24-28; LV 29:36-40; Open- 
baring 12:7-13.)" (Bruce R. McConkie, 
Mormon Doctrine, blz. 245.) 



£1 Ontstonden geheime vere- 
nigingen inderdaad onder 
het volk van het Boek van 
Mormon? 

Geheime verenigingen veroorzaakten de 
ondergang van de Nephieten en de Jare- 
dieten. (Ether 8:21 .) Maar zij waren ont- 
staan lang voordat Lehi Jeruzalem ver- 
liet, en lang voordat de Jaredieten het 
westelijk halfrond koloniseerden. 
Waar begonnen deze verenigingen? Ne- 
gentien verzen van Mozes 5 vertellen ons 
over Kaïn en de oorsprong van geheime 
verenigingen, terwijl elf verzen handelen 
over de voortzetting van de verenigingen 
op aarde. Deze verenigingen werden ge- 
kenmerkt door plechtige, duistere eden, 



10 



die in de naam van „den levenden God" 
werden afgelegd (Mozes 5:29,30), en 
door een strak gedisciplineerde broeder- 
schap, die erop uit was macht en gewin 
te verwerven door middel van geweld en 
angst (Mozes 5:51-55). 
Grote beschavingen uit het verleden zijn 
ten onder gegaan door de invloed van 
Kaïns vereniging. En wat in het verleden 
is gebeurd kan opnieuw gebeuren. 
Moroni's raad aan de mensen in de laat- 
ste dagen luidt: 

„Daarom, o gij niet-Joden, is het wijs- 
heid in God, dat deze dingen aan u zou- 
den worden getoond, opdat gij u hier- 
door van uw zonden zoudt bekeren, en 
niet toelaten, dat deze moordzuchtige 
verenigingen, die zijn opgericht om 
macht en gewin te verkrijgen, de over- 
hand over u zullen verkrijgen, en het 
werk, namelijk het werk der verwoes- 
ting, over u zal komen, ja, het zwaard 
der gerechtigheid van de Eeuwige God 
op u zal nederkomen tot uw val en on- 
dergang, indien gij deze dingen toelaat. 
Wanneer gij deze dingen onder u ziet 
komen, gebiedt de Here u, dat gij zult 
ontwaken tot een besef van uw vreselijke 
toestand wegens deze geheime vereni- 
ging, die onder u zal bestaan; of wee deze 
vereniging wegens het bloed van hen, die 
zijn gedood; want zij roepen uit het stof 
om wraak over deze vereniging, en even- 
eens over hen, die deze hebben 
opgericht."(Ether 8:23,24.) 



H Hielpen grote en edele 
• geesten Christus bij de 
schepping van deze 
wereld? 

Het Boek van Abraham bevat wat mis- 
schien wel het nauwkeurigste verslag 
van de schepping is wat op dit moment 
in druk te verkrijgen is. De inleiding tot 



dat verslag is zowel uniek als verrukke- 
lijk leerzaam. Wij lezen daarin dat de 
Heer Abraham „de intelligenties (had) 
getoond die waren georganiseerd, eer de 
wereld was." (Abraham 3:22.) 
Deze intelligenties (sprekende over hen 
die geesten waren) waren de edelen en 
groten, zij die de potentiële koningen en 
koninginnen van de hemel waren. Abra- 
ham werd verteld dat hij een van hen 
was, en was gekozen voordat hij op aar- 
de was geboren. Onder de edele en grote 
geesten was er Een „die gelijk God was." 
En deze zei: „Wij zullen nederdalen, 
want er is ruimte daar, en wij zullen van 
deze stoffen nemen, en wij zullen een 
aarde maken waarop dezen kunnen wo- 
nen." (Abraham 3:24.) 
„. . . En Zij daalden neder in het begin, 
en Zij dat wil zeggen de Goden - organi- 
seerden en vormden de hemelen en de 
aarde." (Abraham 4:1.) 
Deze passages geven aan dat de edele en 
grote geesten deel namen aan de schep- 
ping van de aarde waarop zij hun behou- 
denis zouden bewerken. (Zie Filippen- 
zen 2:12.) 



8 



Verzette Henoch zich 
aanvankelijk tegen de 
oproep om de Heer te 
dienen? 



De samenlevingen waar Henoch mee 
omgeven was waren doortrokken van 
geweld en humanisme; zij gingen „bij 
zichzelf in het duister te rade" (dat wil 
zeggen, zij redeneerden niet in de geest) 
„en in hun eigen gruwelen hebben zij 
moord beraamd." (Mozes 6:28.) 
Het vooruitzicht onder een dergelijk 
volk zendingswerk te verrichten scheen 
Henoch niet te trekken. Hij klaagde dat 
hij zwaar van tong en betrekkelijk oner- 
varen was, dat hij „slechts een jongen 



11 



(was) en alle mensen (hem haatten)" - 
dus stelde hij de vraag: „Waarom ik?" 
(Zie Mozes 6:31.) 

Al Henochs bezwaren werden wegge- 
veegd met de eenvoudige vermaning om 
te doen wat de Heer hem had opgedra- 
gen. Zijn leven zou worden gespaard, 
zijn mond met woorden worden gevuld, 
en zijn woorden worden vervuld naarge- 
lang bergen, rivieren, dieren en mensen 
zwichtten voor de macht Gods die in 
hem was. 

Henoch aanschouwde de Heer van aan- 
gezicht tot aangezicht en zag de toe- 
komst van het mensdom tot aan het ein- 
de der tijden. De hoogtepunten van zijn 
visioen zijn opgetekend in Mozes 7, wat 
een korte samenvatting is van de ge- 
schiedenis van Henoch de ziener, die bij 
het aanschouwen van dde geboorte, be- 
diening, dood en opstanding van de 
Heer een getuige werd van Jezus 
Christus. 

Henoch beschreef enkele van de belang- 
rijke gebeurtenissen van de laatste da- 
gen, waaronder de terugkeer van zijn 
opgenomen stad naar de aarde, om here- 
nigd te worden met de wereld, die aan- 
stoot nam aan zijn bestaan en trachtte 
hem en zijn Zion te vernietigen. Kunnen 
de heiligen der laatste dagen, die ernaar 
streven een volk van Zion te worden, een 
eender geloof uitoefenen? 



Q Is Adams gedenkboek de 
oudste Schriftuur op deze 
aarde? 

De oude patriarchen waren sommige 
van de eerste schrijvers van Schriftuur, 
die door hen werd voortgebracht onder 
de inspiratie van de heilige Geest. Hun 
verslagen werden de bronnen waaruit 
vader Abraham putte bij zijn schrijven 
ten behoeve van zijn nageslacht. 



,,. . . Ik zal hierna trachten de tijdreke- 
ning te geven die van mijzelf teruggaat 
tot het begin der schepping, want de kro- 
nieken zijn in mijn handen gekomen en 
ik heb ze tot op heden. 
Maar de kronieken van de vaderen, de 
patriarchen, betrekking hebbende op 
het recht op het priesterschap, bewaarde 
de Here, mijn God, in mijn eigen 
handen; daarom ... zal ik trachten en- 
kele van deze dingen in deze kroniek te 
schrijven, ten nutte van mijn nageslacht 
dat na mij zal komen." (Abraham 
1:28,31.) 

„En er werd een gedenkboek bijgehou- 
den, waarin in de taal van Adam werd 
geschreven, want het was gegeven aan 
zovelen, als er God aanriepen, om door 
den geest van inspiratie te schrijven. 
En zij leerden hun kinderen lezen en 
schrijven, een taal hebbende die zuiver 
en onbevlekt was. 

Nu, ditzelfde Priesterschap, dat in den 
beginne was, zal ook aan het einde der 
wereld zijn. 

Adam nu sprak deze profetie, gedreven 
zijnde door den heiligen Geest . . ."(Mo- 
zes 6:5-8.) 



1 A Werd het evangelie aan 
de eerste man (Adam) 
onderwezen en werd hij 
gedoopt? 

Christelijke leerstellingen werden vóór 
de sterfelijke bediening van Christus uit- 
eengezet. God wachtte niet tot het mid- 
den des tijds met het openbaren van het 
volledige plan van zaligheid aan het 
mensdom. De eerste man om het evan- 
gelie van Christus te horen was Adam. 
Toen Henoch de mensen opriep tot be- 
kering, omvatte zijn toespraak de 
smeekbede dat de mensen de leringen 
van Adam zouden eren. 



12 



Daarbij vertelde Henoch hoe Adam was 
gedoopt en tot een begrip kwam van de 
val, de verzoening, geloof in Jezus Chris- 
tus, bekering, doop, het opleggen van 
handen voor de gave van de heilige 
Geest, alsmede van de leerstellingen van 
rechtvaardiging en heiliging. Er werd ge- 
tuigd van Adams geestelijke wederge- 
boorte en van het feit dat hij in het bezit 
was van het priesterschap naar de orde 
van de Zoon van God. (Zie Mozes 6:51- 
68.) 

Bijzonderheden over de doop van Adam 
worden gevonden in Mozes 6:64: 
„. . . hij werd door den Geest des Heren 
weggevoerd, en hij werd in het water 
gedragen, onder het water gelegd, en uit 
het water voortgebracht." 



1 1 Worden er zeven hoofd- 
bedelingen genoemd in 
de Parel van Grote 
Waarde? 

De zeven hoofdbedelingen die in deze 
Schriftuur worden genoemd zijn: 
a. De bedeling van Adam - Mozes 
3,4,5,6. 



b. De bedeling van Henoch - Mozes 
6:25-8:2. 

c. De bedeling van Noach - Mozes :8- 
30 en tevens in een gedeelte van het 
visioen van Henoch. 

d. De bedeling van Abraham - het gehe- 
le Boek van Abraham. 

e. De bedeling van Mozes - Mozes 1 (en 
meer in het algemeen, de gehele rest 
van het Boek van Mozes). 

f. De bedeling van het midden des tijds 

- Joseph Smith 1. 

g. De bedeling van de volheid der tijden 

- Joseph Smith 2 en de Artikelen des 
Geloofs. 

De Parel van Grote Waarde legt de over- 
eenstemming van de bedelingen aan de 
dag, die alle mensen ter beschikking 
staat overeenkomstig hun bereidheid 
om het licht en de waarheid ervan te 
ontvangen. Dit kleine boekdeel omspant 
vele duizenden jaren van goddelijke tus- 
senkomst en minzame bereidheid om de 
samenlevingen en inspanningen van de 
mens te zegenen. Tenslotte is het onte- 
genzeggelijk een boek met een unieke 
zending. Het bevat gedetailleerde waar- 
heden en een gevorderde cursus in geo- 
penbaarde theologie. □ 



13 




<> •& *i <> A A A*"^ <« 



%^ 



%% 






£. 5> a 



% ■* 



*/t 









•«. *» *x t» $1 



C/5 



h: 



** 




_©D u 



> Q 



E 



rz ojd -^ -tri 

£ js s ja -c 

Q o *► "3 • o. 



14 




■4 






\ 

i 

\ 

\ 



s öd-c 
d c & 

Hls 

° s ^ •- 

- ay 3 •■ 

"O 
d 







o 

> 



S Ö 

•S Si 

k. 'S 






VO 






"3 -o 






- öO 

jS * & _S 

j= S d 2 

^ ft ü J3 

■ • * J - 1 J3 i^T 

se ^O 

co ^^ c/i ^ 

U —L* *-> (NI 

N O) <D ^_J 

Of.' 9) I 

^ )_ <u o 

0. : ö 'C Tl 
fl ftvo 

"d 5 öi* 
9 .* n m 
e "O bo «, 



6 'H 

JB N 

d -sf 
> 5 



d <D 
■g N 

o ^ 

• rA 

CO 



I fe.^ 

. im .5! «- 

£ §^ . 
£ a ja 

^) co .iJ 
bn H 
sf u »sT 



< 



15 



2. EVA — Genesis 3:20; Mozes 
4:26; 5:1,2. 

3. SET — Op negenenzestig) arige 
leeftijd geordend door Adam (LV 
107:42). Genesis 4:26; 5:6-11; Mozes 
6:3,13-18; 1 Kronieken 1:1; Lucas 3:38. 

4. ENOS — Op honderdvierender- 
tigjarige leeftijd geordend door Adam 
(LV 107:44). Genesis 4:26; 5:6-11; Mo- 
zes 6:3,13-18; 1 Kronieken 1:1; Lucas 
3:38. 

5. KENAN — Op zevenentachtig- 
jarige leeftijd geordend door Adam (LV 
107:45). Genesis 5:9-14; Mozes 6:17-19; 
1 Kronieken 1:2; Lucas 3:37. (Kenan 
moet niet worden verward met Kanaan, 
de zoon van Cham.) 

6. MAHALALEL — Op vierhon- 
derdzesennegentigj arige leeftijd geor- 
dend door Adam (LV 107:46). Genesis 
5:12-17; Mozes 6:19,20; 1 Kronieken 
1:2; Lucas 3:37. 

7. JERED — Op tweehonderdjari- 
ge leeftijd geordend door Adam (LV 
107:47). Genesis 5:15-20; Mozes 6:20- 
24; 1 Kronieken 1:2; Lucas 3:37. 

8. HENOCH — Op vijfentwintig- 
jarige leeftijd geordend door Adam (LV 
107:48,49). Genesis 5:18-24; Mozes 
6:21,25; 7:68,69; 8:1; 1 Kronieken 1:3; 
Lucas 3:37. Hij en zijn stad werden in de 
hemel opgenomen. (Deze Henoch moet 
niet worden verward met Henoch, de 
zoon van Kaïn.) 

9. METUSELACH — Op hon- 
derdjarige leeftijd geordend door Adam 
(LV 107:50). Genesis 5:21-27; Mozes 
8:2-7; 1 Kronieken 1:3; Lucas 3:37. 

10. LAMECH — Op tweeënder- 
tigjarige leeftijd geordend door Set (LV 
107:51). Genesis 5:25-31; Mozes 8:5-11; 
1 Kronieken 1:3; Lucas 3:36. 

11. NO ACH — Op tienjarige leef- 
tijd geordend door Metusalach (LV 



107:52). Genesis 5:28-32; Mozes 8:8-30; 
1 Kronieken 1:4; Lucas 3:36. 

12. SEM — Vader van het Semiti- 
sche volk. Genesis 5:32; 10:21; 11:10; 
Mozes 8:12,27; 1 Kronieken 1:4; Lucas 
3:36. 

13. ARP AKS AD — Genesis 
10:22; 11:10-13; 1 Kronieken 1:17; Lu- 
cas 3:36. 

14. SELACH — Genesis 10:24; 
11:12-15; 1 Kronieken 1:18; Lucas 3:35. 

15. EBER — Genesis 10:24; 11:14- 
17; 1 Kronieken 1:18; Lucas 3:35. Vol- 
gens de joodse tradities stamt de naam 
Hebreeër af van de naam Eber. 

16. PELEG — „. . . in zijn dagen 
werd de aarde verdeeld . . ." Genesis 
10:25; (zie ook LV 133:19-24). Genesis 
11:16,17; 1 Kronieken 1:19; Lucas 3:35. 

17. REU — Genesis 11:18-21; 1 
Kronieken 1:25; Lucas 3:35. 

18. SERUG — Genesis 11:20-23; 1 
Kronieken 1:26; Lucas 3:35. 

19. NACHOR — Genesis 11:22- 
25; 1 Kronieken 1:26; Lucas 3:34. 

20. TERACH -- Genesis 11:24- 
27; 1 Kronieken 1:26; Lucas 3:34. 

21. ABRAM (Abraham) — Gene- 
sis 11:26,27; 1 Kronieken 1:27; Lucas 
3:34. 

22. KAÏN — Genesis 4:1; Mozes 
5:16. 

23. ABEL — Genesis 4:2; Mozes 
5:17; 6:2; Leringen van de profeet Joseph 
Smith, blz. 62. 

24. HENOCH — Genesis 4:17; 
Mozes 5:42. (Deze Henoch moet niet 
worden verward met de rechtvaardige 
Henoch, de zoon van Jared.) 

25. IRAD — Genesis 4:18; Mozes 
5:42. 

26. MECHIAEL — Genesis 4:18; 
Mozes 5:43. 

27. METUSAEL — Genesis 4:18; 
Mozes 5:43. 

28. LAMECH — Genesis 4:18,19; 
Mozes 5:43,44. 



16 



29. JABAL — Genesis 4:20; Mo- 
zes 5:45. 

30. JUBAL — Genesis 4:21; Mo- 
zes 5:45. 

31. TUBAL-KAIN Genesis 
4:22; Mozes 5:46. 

32. NAAMA — Genesis 4:22; Mo- 
zes 5:46. 

33. CHAM — Vader van de Cha- 
mitische volkeren. Genesis 5:32; Mozes 
8:12; 1 Kronieken 1:4. 

34. EGYPTUS — Abraham 1:21- 
23. Dit was de vrouw van Cham en een 
afstammeling van Kaïn. 

35. KUS — Genesis 10:6; 1 Kro- 
nieken 1:8. Volgens overlevering is Kus 
met betrekking tot zijn afstammelingen 
vertaald als „Ethiopië." 

36. MISRAIM — Genesis 10:6; 1 
Kronieken 1:8. Dit is het Hebreeuwse 
woord voor ,, Egypte." 

37. PUT — Genesis 10:6; 1 Kro- 
nieken 1:8. 

38. KANAAN — Genesis 10:6; 1 
Kronieken 1:8. De afstammelingen van 
Kanaan werden Kanaanieten genoemd, 
en hun land Kanaan. 

39. EGYPTUS — Abraham 1 :23- 
26. Deze Egyptus was de dochter van 
Cham en Egyptus en de moeder van de 
eerste Farao in Egypte. 

40. AFSTAMMELINGEN VAN 
MISRAIM — Genesis 10:13,14; 1 Kro- 
nieken 1:11,12. 

41. FILISTIM — Genesis 10:14; 1 
Kronieken 1:12. Hij was een afstamme- 
ling van Kasluchim, zoon van Misraïm, 
en de voorvader van de Filistijnen. 

42. SIDON — Genesis 10:15,19; 1 
Kronieken 1:13. Een belangrijke kust- 
stad van de Feniciërs heette eveneens 
Sidon. 

43. CHET - - Genesis 10:15; 1 
Kronieken 1:13. De afstammelingen 
van deze man werden de Hittieten 
genoemd. 



44. AFSTAMMELINGEN VAN 
KUS — Genesis 10:7,8; 1 Kronieken 
1:9,10. 

45. NIMROD — Genesis 10:8-12; 
1 Kronieken 1:10. Nimrod was een kolo- 
nisator in Babylonië en volgens de jood- 
se overlevering de bouwer van de toren 
van Babel. 

46. JAFET Genesis 5:32; 
10:1,2,5; Mozes 8:12,27; 1 Kronieken 
1:4. Deze man werd algemeen be- 
schouwd als de vader van de Arische of 
Indo-europese volkeren die in de Schrif- 
ten niet-joden worden genoemd. 

47. AFSTAMMELINGEN VAN 
JAFET — Genesis 10:2; 1 Kronieken 
1:5. De naam van Jafets zoon, Madai, 
wordt gewoonlijk vertaald als Medes 
met betrekking tot zijn afstammelingen. 
Zijn andere zoon, Jawan, draagt dezelf- 
de naam als het Hebreeuwse woord voor 
de Ioniërs ofwel, over het algemeen ge- 
sproken, de Grieken. 

48. AFSTAMMELINGEN VAN 
GOMER — Genesis 10:3; 1 Kronieken 
1:6. 

49. AFSTAMMELINGEN VAN 
JAWAN — Genesis 10:4; 1 Kronieken 
1:7. De naam van Jawans zoon, Kittim, 
wordt gebruikt met betrekking tot het 
eiland Cyprus en zijn inwoners. 

50. KANAANIETEN — Genesis 
10:16-18; 1 Kronieken 1:14-16. Dit is de 
algemene naam die gegeven wordt aan 
de volkeren die afstamden van Chams 
zoon, Kanaan. 

51. ELAM - - Genesis 10:22; 1 
Kronieken 1:17. Het meest zuidelijke 
deel van het dal van de Tigris en de 
Eufraat werd ook met deze naam 
aangeduid. 

52. ASSUR — Genesis 10:22; 1 
Kronieken 1:17. Het noordelijke deel 
van het dal van de Tigris en de Eufraat 
stond eveneens bekend als Assur, het- 
geen vertaald werd met Assyrië. 



17 



53. LUD — Genesis 10:22; 1 Kro- 
nieken 1:17. De afstammelingen van 
Lud worden over het algemeen de Ly- 
diërs genoemd. 

54. ARAM — Genesis 10:22; 1 
Kronieken 1:17. Deze naam is ook ver- 
taald als Syrië. 

55. AFSTAMMELINGEN VAN 
ARAM — Genesis 10:23; 1 Kronieken 
1:17. 

56. JOKTAN — Genesis 10:25-30; 
1 Kronieken 1:19-23. Deze man was de 



broer van Peleg en vader van een bijzon- 
der groot gezin, waaronder dertien 
zoons. 

57. AFSTAMMELINGEN VAN 
JOKTAN — Genesis 10:26-29; 1 Kro- 
nieken 1:20-23. 

58. NACHOR 
11:26,27. Nachors 
eveneens Nachor. 



Genesis 
grootvader heette 



59. HARAN 
Abraham 2:1,2. 



Genesis 11:26-28; 

D 



Het 

gecoördineerde leesrooster 

voor 1980/1981 



September 


Genesis 1 en 2 

Mozes 2-4 

Abraham 3-5 


Oktober 


Genesis 3-5 

Mozes 4-6 

Abraham 5:15-21 


November 


Genesis 6-17 

Mozes 7 en 8 

Abraham 1 en 2 


December 


Genesis 18-36 


Januari 


Genesis 37-50 

Exodus 1-12 

Mozes 1 


Februari 


Exodus 13-20,24,31-34 
Deuteronomium 5 



Maart Exodus 21-33,35-40 

Leviticus 1-15,17-22 

April Leviticus 16,23-27 

Numeri 11-12 

Mei Numeri 13-26 

Deuteronomium 1-27 

Juni Deuteronomium 28-34 

Jozua 1-24 

Richteren 1-12 

Juli Richteren 13-21 

Ruth 

1 Samuël 1-31 

2 Samuël 1 

Augustus 2 Samuël 2-25 

Psalmen 1-150 



18 



OP ZOEK NAAR 

EEN EIGEN VOLK 

VAN GOD 



Door Rodney Turner 



Het verhaal van Israël is het grootste 
epos aller tijden. De omvang ervan is 
onmetelijk, het begint in de eeuwigheid, 
strekt zich uit door de tijd en zet zich 
weer voort in de eeuwigheid. De Vader 
verdeelde zijn aardse bezit onder zijn 
geestelijke kinderen met Israël voor 
ogen: 

„Toen de Allerhoogste aan de vol- 
ken hun erfenis toebedeelde, 
toen Hij de mensenkinderen van el- 
kander scheidde, 
heeft Hij de grenzen der volken 
vastgesteld 

naar het aantal der zonen van 
Israël. 

Want des Heren deel is zijn volk, 
Jakob het Hem toegemeten 
erfdeel." 
( Deuteronomium 32:8,9.) 

Er bestaat een groots plan voor het 
mensdom en Israël is daar het middel- 
punt van. Evenals Christus (Jehova) de 
Eerstgeborene is van alle kinderen van 
de Vader, zo is Israël de eerstgeborene 
onder de volkeren. Mozes kreeg de op- 
dracht tegen Farao te zeggen: „Zo zegt 



de Here: Israël is mijn eerstgeboren 
zoon." (Exodus 4:22.) 
En evenals Israël de voornaamste onder 
de volkeren is, zo is Efraïm de voor- 
naamste onder de twaalf stammen. In 
een treffende beschrijving van de verga- 
dering van Israël in de laatste dagen, 
profeteerde Jeremia: 
„Onder geween zullen zij komen en on- 
der smeking zal Ik hen leiden; Ik zal hen 
voeren naar waterbeken op een effen 




19 



weg, waarop zij niet struikelen. Want Ik 
ben Israël tot een vader, en Efraïm, die is 
mijn eerstgeborene." (Jeremia 31:9.) 
Christus de Heer, Israël, Efraïm - ieder 
een eerstgeboren zoon in zijn eigen recht. 
Hoewel Adam en de patriarchen uit de 
periode voor de zondvloed ongetwijfeld 
Israëlieten in de geest waren, ontstond 
het aardse huis van Israël pas enkele eeu- 
wen na de zondvloed. Abraham, een af- 
stammeling van Sem, wordt algemeen 
erkend als de vader van de Hebreeën. Hij 
was een van de „edelen en groten" 
(Abraham 3:22) die van tevoren waren 
geordend om in de majesteit en macht 
van het heilig priesterschap op aarde te 
heersen. 

Abraham was ongeveer tweeënzestig 
jaar oud toen de Heer God aan hem 
verscheen tijdens zijn verblijf te Haran: 
„Mijn naam is Jehova (Jahwe), en Ik 
weet het einde sinds het begin: daarom 
zal Mijn hand over u zijn. 
En Ik zal u tot een groot volk maken, en 
Ik zal u bovenmate zegenen, en uw naam 
groot maken onder alle volken, en gij 
zult een zegen zijn voor uw nakomelin- 
gen na u, en wel hierin, dat zij deze bedie- 
ning en dit priesterschap tot alle natiën 
zullen brengen. 

En ik zal hen door uw naam zegenen; 
want allen, die dit Evangelie ontvangen, 
zullen naar uw naam worden genoemd, 
en zullen als uw nakomelingen worden 
gerekend, en zij zullen verrijzen en u als 
hun vader zegenen; 

En Ik zal hen zegenen, die u zegenen, en 
hen vervloeken, die u vervloeken; en in u 
- dat wil zeggen: in uw priesterschap - en 
in uw nakomelingen - dat wil zeggen: uw 
priesterschap - zullen alle geslachten der 
aarde worden gezegend, ja, met de zege- 
ningen van het Evangelie, die de zege- 
ningen der zaligheid zijn, ja, van het eeu- 
wige leven, want Ik geef u de belofte dat 
dit recht zal voortduren in u en in uw 
nakomelingen na u." (Abraham 2:8-1 1 .) 



Deze verschijning van de Heer God gaf 
de aanvang aan van een nieuwe bedeling 
van het evangelie. Abraham zou het fun- 
dament leggen van een groot werk. Hij 
zou de patriarch zijn van een volk dat 
was gekozen om het evangelie aan het 
gehele mensdom te brengen. Zijn familie 
zou het licht der wereld zijn, het zout der 
aarde. Na de geboorte van zijn twaalf 
zoons, ontving Jakob, Abrahams klein- 
zoon, een nieuwe naam: Israël, wat 
„heersen met God" betekent. Uiteinde- 
lijk duidt deze naam op de mannen en 
vrouwen die verhoging verwerven in het 
celestiale koninkrijk, waar zij voor eeu- 
wig samen met God zullen heersen. 
Het Oude Testament is in wezen het ver- 
haal van de familie van Jakob, de Semi- 
tische prins die geboren werd in Kanaan, 
in Haran woonde, en stierf in Egypte. 
Het is een verhaal vol romantiek, roem, 
eer en schande. Het is een verhaal van 
helden en schurken, van successen en 
mislukkingen, van wijzen en dwazen. 
In ons verlangen om het goede, het ware 
en het schone te onderstrepen, zijn wij 
soms geneigd te vergeten dat de geschie- 
denis van Israël ook het goddeloze, het 
valse en het onverkwikkelijke heeft 
behelsd. 

Abraham werd beproefd met de moord- 
dadige afgoderij van zijn eigen vader, 
met de onvruchtbaarheid van zijn 
vrouw, met familie-onenigheid, en ten- 
slotte met een gebod dat zelfs zijn ziel op 
de proef stelde. Esau's wrok jegens Ja- 
kob werd zo bitter, dat Isaak en Rebek- 
ka vreesden voor het leven van hun jon- 
gere zoon. Op zijn beurt werd Jakob 
door zijn schoonvader bedrogen, door 
zijn jaloerse vrouwen gekweld, en te 
schande gemaakt door zijn zoons, die de 
mannen van een heel dorp ombrachten 
vanwege het verleiden van hun zuster, 
Dina. Deze daad deed de patriarch zijn 
zoons vertellen: „Gij hebt mij in het on- 
geluk gestort door mij in een kwade reuk 



20 



te brengen bij de inwoners van dit 
land. . ." (Genesis 34:10.) 

Enige tijd later braken deze zelfde zoons 
het hart van hun vader toen zij hem de 
dood meldden van hun halfbroer, die zij 
als slaaf hadden verkocht. En dit was 
geenszins alles. Jakob werd nog verder 
onteerd door het bloedschendig gedrag 
van zijn oudste zoon, Ruben. 

Er gebeurden nog andere tragische en 
schandelijke dingen in verband met de 
opkomst van het huis van Israël, maar 
het bovenstaande is voldoende om de 
tegenstrijdigheden met betrekking tot de 
oorsprong van deze familie aan te tonen. 
Het eerste bedrijf van het drama van 
Israël eindigde met de dood van Jozef. 
Tussen die gebeurtenis en de komst van 
Mozes was er een zwijgende tussenpoos 
van enkele eeuwen. Toen het doek weer 
omhoogging, was Israël zowel lichame- 
lijk als geestelijk een geknecht volk. Het 
was de zending van Mozes om hen van 
deze tweevoudige slavernij te verlossen. 
Hun fysieke bevrijding werd door de 
macht van God teweeggebracht, getuige 
de staf van Aaron en de opgeheven ar- 
men van Mozes. Maar toch waren de 
Israëlieten een trouweloos volk. On- 
danks de wonderen die te hunnen behoe- 
ve waren verricht, stonden zij klaar om 
te klagen zodra zij zagen dat de legers 
van Farao in aantocht waren, en toen zij 
ongeveer een maand na het wonder van 
het scheiden van de wateren in de woes- 
tijn van Sin aankwamen, morden zij 
opnieuw. 

Het was op dat moment dat de Heer hen 
het manna gaf, dat hen in leven zou hou- 
den gedurende de veertig jaar dat zij in 
de woestijn zouden rondzwerven. Na 
weer geklaagd te hebben te Refidim, 
kwam het kamp van Israël aan bij de 
berg Sinaï, waar de Heer genadiglijk 
aanbood hen tot zijn gekozen volk te 
maken, „een koninkrijk van priesters 




... en een heilig volk." (Zie Exodus 
19:6.) 

Israël stemde geredelijk toe: „Alles wat ' 
de Heer gesproken heeft, zullen wij 
doen." (Exodus 19:8.) Vervolgens open- 
baarde Jehova zijn wet aan Mozes, die 
wederom een belofte van gehoorzaam- 
heid van het volk verkreeg. Nauwelijks 
een maand later, echter, bezweek Aaron 
voor hun eisen en vervaardigde een gou- 
den afgodsbeeld voor de Israëlieten. 
„Toen het volk zag, dat Mozes toefde 
van de berg af te dalen, verzamelde het 
zich rondom Aaron, en zeide tot hem: 
Welaan, maak ons goden, die vóór ons 
uit gaan, want deze Mozes, die man, die 
ons uit het land Egypte heeft gevoerd - 
wij weten niet, wat er van hem geworden 
is." (Exodus 32:1.) 

Let wel dat de mensen hun bevrijding 
toeschreven aan Mozes en niet aan God. 
Deze Israëlieten waren niet in staat zich 
te ontdoen van hun slaafse mentaliteit. 
Wanneer het slavernij van de geest be- 
treft, is zelfs God niet in staat een mens 
of een volk te bevrijden als de wil om vrij 
te zijn ontbreekt. 



21 



Het ontbrak de Israëlieten aan de intelli- 
gentie, het licht en de waarheid om óf 
vrij te worden, óf vrij te blijven. Zij wa- 
ren zo onontwikkeld en naïef dat zij hun 
bevrijding toeschreven aan het afgods- 
beeld dat zij met hun eigen handen had- 
den gevormd. 

In zijn toorn dreigde de Heer hen te ver- 
nietigen, maar Mozes pleitte voor zijn 
dwalende volk en zij werden gespaard. 
Het voorrecht, echter, om de wet van 
Christus te leven en de zegeningen van 
het Melchizedekse priesterschap te ge- 
nieten ging verloren. 
Jehova zou hen niet langer vergezellen 
en het huis van Israël zou zich pas in de 
laatste dagen in zijn geheel in zijn tegen- 
woordigheid begeven. De wet van Chris- 
tus, het middel tot werkelijke vrijheid, 
werd vervangen door de wet van Mozes, 
een systeem van vleselijke wetten. Pas 
veertienhonderd jaar later zou Israël 
weer een kans hebben om vrij te worden. 
De meeste critici van de Bijbel nemen 
aan dat de Mozaïsche wet eenvoudig het 
culturele milieu van het Midden-Oosten 
weerspiegelde. Het zou echter beter zijn 
te zeggen dat de wet van Mozes, zoals 
deze oorspronkelijk werd gegeven door 
Jehova en door zijn dienstknechten ver- 
tolkt, was bedoeld om Israël te verheffen 
tot steeds hogere niveaus van persoonlij- 
ke en maatschappelijke moraliteit en 
van binding met God. 
De wet had met name drie hoofddoelen: 
(1) Ervoor te zorgen dat de ongekunstel- 
de generatie van de Israëlieten die in de 
wildernis waren geboren niet zouden 
worden verlokt en overstelpt door de 
arglistige en uiterst onzedelijke afgodi- 
sche praktijken van de ontaarde 
Kanaanieten, (2) de Israëlieten te voor- 
zien van een wetverzameling die hen in 
staat zou stellen om de typische maat- 
schappelijke afspraken van hun tijd te 
vertolken en te verfijnen, en (3) de Israë- 
lieten te bevrijden van hun zinnelijkheid 



en hun slavenmentaliteit, zodat zij voor 
bereid zouden zijn op de ware vrijheic 
die de Heiland hen zou bieden wannee: 
Hij het evangelie in zijn volheid zou her 
stellen in het midden des tijds. 
Dat de wet haar doelstellingen niet volle 
dig bereikte moet de wet niet ten last< 
worden gelegd, maar het volk dat haai 
ontrouw was. Hun mislukking lokte d< 
waarschuwingen en de jammerklachter 
van de profeten uit van Samuël tot Jezu 
zelf. Noch de barmhartige voorsteller 
van de Heer, noch de onvermoeibare 
pogingen van Mozes om zijn volk ui 
hun geestelijke slavernij te voeren, had 
den veel succes. In zijn afscheidsrede 
herinnerde Mozes de Israëlieten aan al 
les wat Jehova voor hen had gedaan 
maar hij merkte op: „Doch de Hert 
heeft u geen hart gegeven om te verstaar 
of ogen om te zien, of oren om te horen 
tot op de huidige dag." (Deuterono- 
mium 29:4.) 

Na de geboden te hebben herhaald 
waarschuwde de getrouwe profeet zijr 
volk voor de twee wegen die voor her 
lagen: ,,Ik neem heden de hemel en de 
aarde tegen u tot getuigen; het leven er 
de dood stel ik u voor, de zegen en de 
vloek; kies dan het leven, opdat gij leeft 
gij en uw nageslacht." (Deuteronomiun 
30:19.) 

De herinnering aan Mozes leefde langei 
dan zijn raadgevingen. Hoewel sommi- 
gen getrouw waren, kleefde de vloek var 
de afgoderij, met al het daarmee gepaarc 
gaande kwaad, generatie na generatie 
Israël aan. Het was echter koning Salo- 
mo die aan deze praktijk wettelijke 
goedkeuring en steun verleende, wam 
voordien had geen enkele nationale lei- 
der dat gedaan. Het is niet na te gaar 
hoeveel schade Salomo Israël berokken- 
de door officieel het overtreden van de 
eerste twee geboden van de decaloog 
goed te keuren. De aanbidding van Baa 
was zo endemisch in de achtste eeuw 



22 



voor Christus, dat Elia's oproep tot be- 
kering slechts een strak stilzwijgen 
ontmoette. 

Het aanbidden van goden van hout en 
steen werd in toenemende mate aange- 
vuld met de meer verfijnde afgoderij die 
gewoonlijk samengaat met het modern- 
ste materialisme. De profeet Jesaja stel- 
de de huichelarij aan de kaak van rituele 
handelingen die niet vergezeld gaan van 
ware godsdienst: 

„Waartoe dient Mij de menigte uwer 
slachtoffers? zegt de Here; o verzadigd 
ben Ik van de brandoffers van rammen 
en het vet van mestkalveren, en aan het 
bloed van stieren, schapen en bokken 
heb Ik geen welgevallen. 
Wanneer gij komt om voor mijn aange- 
zicht te verschijnen - wie heeft dit van u 
verlangd mijn voorhoven plat te treden? 
Gaat niet voort met huichelachtige of- 
fers te brengen - gruwelijk reukwerk is 
het Mij; nieuwe maan en sabbat, het 
bijeenroepen der samenkomsten Ik ver- 
draag het niet: onrecht met feestelijke 
vergadering . . . 

Wast u, reinigt u, doet uw boze daden uit 
mijn ogen weg; houdt op kwaad te doen; 
leert goed te doen, tracht naar recht, 
houdt de geweldenaar in toom, doet 
recht aan de wees, verdedigt de rechts- 
zaak der weduwe." (Jesaja 1:11- 
13,16,17.) 

Een vergelijking van de houding, over- 
tuigingen en gedragingen van de pries- 
ters en het volk met die van mannen 
zoals Elia, Jesaja, Jeremia, Hosea en Mi- 
cha voert ons tot slechts één conclusie; 
de grootheid van Israël berustte bij zijn 
profeten en niet bij het volk. 
Wat een mannen waren dat. Als zij in 
hun tijd geëerd waren geweest dan zou 
Israël bereid zijn geweest om de grootste 
aller profeten te ontvangen toen Hij op 
aarde kwam. In werkelijkheid, echter, 
werd de beloofde Messias - de gever van 
de wet - door de voornaamste aanhan- 



gers van de wet verworpen omdat zijn 
woorden en daden niet in overeenstem- 
ming waren met hun vertolking van de 
wet. Israël, dat door de joden werd verte- 
genwoordigd, werd uiteindelijk bekeerd 
tot het eengodendom: „Hoor, Israël: de 
Here is onze God; de Here is een." 
Het is ironisch dat een volk dat zich voor 
zo'n groot deel van zijn geschiedenis had 
ingelaten met het veelgodendom, bij hun 
terugkeer tot Jehova Hem verwierp om- 
dat Hij beweerde de Zoon van God te 
zijn. Hoewel het verbondsvolk zich voor 
vele valse goden boog nadat het het be- 
loofde land binnen was gegaan, waren 
zij toch niet bereid - en zijn dat nog 
steeds niet - zich te buigen voor Jezus 
Christus, de Heilige van Israël, uit vrees 
dat zij de „ene Heer" van hun geloofsbe- 
lijdenis zouden beledigen. 
De wet van Mozes werd vervuld, niet 
door Israël, maar door Jehova zelf, 
Christus bood zijn volk een nieuwe wet, 
een hogere wet, want de Mozaïsche tra- 
ditie was een discipline voor kinderen en 
niet voor volwassen mannen. Paulus 
dacht misschien aan zijn eigen verlossing 
van de joodse leer toen hij schreef: 
„Toen ik een kind was, sprak ik als een 
kind, voelde ik als een kind, overlegde ik 
als een kind. Nu ik een man ben gewor- 
den, heb ik afgelegd wat kinderlijk was." 
(1 Korintiërs 13:11.) 
Maar de joden bleven kinderen. Zij ver- 
toonden nog steeds sporen van hun sla- 
venmentaliteit. Het „goede nieuws" van 
vrijheid in Christus werd verworpen; zij 
zonken weer terug in hun geestelijke 
slavernij. 

Het in gebreke blijven van Israël om de 
leringen en het voorbeeld van zijn vaders 
te eren, voerde tot de verstrooiing van de 
tien stammen in 721 v.Chr. en van de 
joden in het jaar 70. De verspreiding was 
compleet. De verstrooiing van de joden 
werd op de voet gevolgd door de lange 
nacht van de grote afval. En nu wordt 



23 



Efraïm, de eerstgeborene van de twaalf 
stammen uit de natiën vergaderd met 't 
oog op zijn inspanningen ten behoeve 
van zijn jongere broers. 
Er moet echter nog veel gebeuren voor- 
dat Israël het „volk (Gods) ten eigen- 
dom" zal zijn dat de Heer voor ogen had 
toen Hij deze uitdrukking zo lang gele- 
den voor 't eerst gebruikte. Wanneer de 
heiligen der laatste dagen zichzelf Gods 
eigen volk noemen, doen zij dat gewoon- 
lijk met bepaalde theologische opvattin- 
gen en godsdienstige gebruiken in ge- 
dachten. Zaken als geloof in een godheid 
in menselijke vormen, het voorbestaan, 
het werk voor de doden, het tempelhu- 
welijk en het woord van wijsheid worden 
aangehaald als bewijs van het feit dat wij 
Gods eigen volk zijn. 
Hoewel niet kan worden ontkend dat 
vele van deze waardevolle beginselen 
uniek zijn, zijn zij slechts middelen, geen 
doel. De geschiedenis van Israël - zowel 
in Amerika als in Palestina - vormt een 
goed bewijs dat op zich leerstellingen, 
verordeningen en godsdienstige gebrui- 
ken in 't algemeen geen eigen volk van 
God voort kunnen brengen. 
Wat is dan precies een volk Gode ten 
eigendom of een eigen volk van God? 
een uitdrukking die alleen in de Bijbel 
voorkomt. Een eigen volk van God is er 
een wiens verhouding tot God buitenge- 
woon is en dat op een hele bijzondere 
manier deelheeft aan zijn goddelijke 
aard. Jehova zei dat Israël niet alleen 
onderscheiden zou zijn van alle andere 
volkeren, maar dat deze onderscheiding 
zou liggen in hun morele en geestelijke 
superioriteit. Met andere woorden, zij 
zouden een eigen volk van God zijn om- 
dat zij een heilig volk waren. 
De apostel Petrus herhaalde Jehova's 
grootse oogmerk voor Israël in zijn ver- 
maning aan de heiligen van zijn tijd: 
„Gij echter zijt een uitverkoren geslacht, 
een koninklijk priesterschap, een heilige 



natie, een volk (Gode) ten eigendom, om 
de grote daden te verkondigen van Hem, 
die u uit de duisternis geroepen heeft tot 
zijn wonderbaar licht." (1 Petrus 2:9.) 
Het is duidelijk dat het moderne Israël 
slechts het eigen volk van de Heer wordt 
naargelang het de vruchten voortbrengt 
aan de hand waarvan dat volk bekend 
zal zijn. Maar het geheel is het totaal van 




24 




Bij het open huis in Den Helder 



GEZINSTRIMDAGEN IN 
HIVERSUM EN DEN HELDER 

Op Hemelvaartsdag organiseerde onze 
gemeente Hilversum haar derde gezins- 
trimdag, welke wederom bestond uit een 
puzzle-fietstocht van 25 km. 
Broeder Th. G. Baalman schreef ons o.m. 
hierover: 

„Er namen ongeveer 500 mensen aan 
deel. De meesten van hen bezochten 
tevens het Open Huis, dat in het vereni- 
gingsgebouw aan de Tesselschadelaan 
werd gehouden. 

Bij enkele puzzlepunten werden door de 
deelnemers fouten gemaakt, waardoor 
werd omgereden, maar de stemming bleef 
steeds opperbest. De zon verleende 
royaal haar medewerking. Er werden 245 
medailles aan de deelnemers uitgereikt. De 
kosten werden grotendeels door de in- 
schrijfgelden gedekt. Veertien gezinnen 



gaven te kennen meer over de Mormonen 
te willen vernemen. Ook in Arnhem en 
Amersfoort werden geslaagde gezinstrim- 
tochten georganiseerd. Delft zou op de 
tweede Pinksterdag van start gaan. En op 
4 oktober volgden de overige gemeenten. 
Belangstellenden dienen daartoe contact 
op te nemen met mij, adres C. de Wijsstr. 1 1 
1 241 BW Kortenhoef, telefoon 035-60077." 
Tot zover broeder Baalman. 



Vanuit Den Helder berichtte broeder 
J. G. Rustige: 

„Hier hielden wij op Hemelvaartsdag voor 
het eerst een Mormoonse gezinstrimdag. 
't Programma omvatte een puzzle-fietstocht 
van 25 km met aan het eindpunt een Open 
Huis in het kerkgebouw. Het aantal deel- 
nemers was verheugend: 285, van wie er 
ongeveer 250 niet-leden waren. In de voor- 



1 



afgaande week waren er bijna 300 affiches 
in de stad en de omgeving verspreid om deze 
aan te kondigen. Sandwichborden trof men 
aan langs de weg, bij het postkantoor, het 
station, op pleinen, enz. Ook in winkels, die 
varieerden van speelgoedzaak en bakkerij tot 
supermarkt en warenhuis, hadden de ijverige 
werkers van de gemeente in Den Helder 
affiches geplaatst. Bij heteindpuntwerden 
enthousiast de puzzle-opdrachten gecontro- 



leerd en verfrissingen genuttigd. Brochures 
en honderden stickers werden meegeno- 
men en er werden 230 herinneringsme- 
dailles besteld. 

Wij hebben als heiligen der laatste dagen 
kunnen laten zien wie wij zijn en dat wij de 
geestelijke en lichamelijke gezondheid van 
het individu op alle mogelijke manieren 
trachten te bevorderen." 



HET BOEK VAN MORMON 
HEEFT MINSTENS 
24 AUTEURS 

Twee statistici, die met behulp van een 
computer het Boek van Mormon onder- 
zochten, hebben verklaard dat zij „over- 
weldigend bewijs" hebben gevonden dat 
dit boek van de hand van een groot aantal 
schrijvers is gekomen. 
Op een in het begin van dit jaar gehouden 
symposium aan de Brigham Young Univer- 
siteit te Provo (Utah) zeiden Dr. Alvin C. 
Rencher en Dr. Wayne Larsen letterlijk: 
„Wij achten het menselijkerwijzer onmo- 
gelijk om het schrijfpatroon van het Boek 
van Mormon opzettelijk te construeren, 
zelfs in deze tijd." 

Auteurs, zo betoogden zij, hebben volgens 
de jongste vorderingen op het terrein van 
het plagiaat-onderzoek door het gebruik 
van bepaalde woorden duidelijk te onder- 
scheiden z.g. taalkundige vingerafdrukken. 
Men noemt dit „woordafdrukken." 
„Het lijkt ons volstrekt onmogelijk dat 
Joseph Smith zo'n vervalsing zou hebben 
kunnen maken, vooral omdat men pas lang 
na zijn dood tot de ontdekking is gekomen 
dat elke auteur zijn eigen woordafdrukken 
heeft." 

Dr. Rencher, een hoogleraar in de statistiek 
aan de Brigham Young Universiteit, en 
Dr. Larsen, een statisticus verbonden aan 
het Eyring Centrum voor Navorsing, zijn tot 
hun conclusie gekomen nadat zij de 
gehele tekst van het Boek van Mormon in 
een computer ingevoerd hadden. 
Hun gevolgtrekkingen staan lijnrecht te- 
genoverdie van critici die beweren dat het 
Boek van Mormon een fantasie is, in de 
jaren 1 820 geschreven door Joseph Smith 



of door Solomon Spaulding, een schrijver 
in Ohio uit het begin van de 19e eeuw. 
De beide onderzoekers zeggen dat statis- 
tisch is gebleken dat algehele woordafdruk- 
kenpatroon van het Boek van Mormon niet 
aan Joseph Smith, Solomon Spaulding, 
Sidney Rigdon of de een of andere tijdge- 
noot kan worden toegeschreven. 
Hun is integendeel gebleken dat het Boek 
van Mormon tenminste 24 verschillende 
auteurs heeft gehad, en mogelijk nog meer. 
„De geciteerde schrijvers zoals Alma bleken 
een duidelijk te onderscheiden woordafdruk 
te bezitten", verklaarden zij. 
Volgens de genoemde statistici vertoont 
de schrijftrant van de Boek van Mormon- 
auteurs, die in hetzelfde tijdperk schreven, 
meer punten van overeenkomst dan die 
van hen die schreven in tijden welke meer 
uiteen lagen. (Het Boek van Mormon 
maakt er aanspraak op een geschiedkundig 
verslag te zijn, samengesteld door vele 
auteurs gedurende een tijdsbestek van 
2500 jaar). 

„Het vertalingsproces van het Boek van 
Mormon was dermate direkt en letterlijk 
dat de eigen stijl van elke schrijver 
behouden is gebleven", verklaren de on- 
derzoekers. 

Dr. Rencher en Dr. Larsen zeiden voorts 
dat zij na het toepassen van drie verschil- 
lende methoden van onderzoek voor het 
analyseren van woordafdrukken tot dezelfde 
conclusie zijn gekomen, n.l. dat het Boek 
van Mormon een groot aantal auteurs 
heeft gehad. 

„Eén der methoden wees zelfs uit dat de 
kans dat het boek één enkele schrijver 
gehad zou hebben 1 00 miljoen tegen één 
is", zeiden zij. De twee geleerden voegden 
er echter aan toe dat hun arbeid niet het 
laatste woord of de finale studie is over dit 
onderwerp. 



„Er zou nog veel meer gedaan kunnen 
worden, maar wij hebben dan ook veel 
meer gedaan dan bekend gemaakt is." 
Volgens Dr. Rencher en Dr. Larsen is hun 
studie van het Boek van Mormon niet de 
eerste maal dat men woordafdrukken ge- 
bruik heeft gemaakt om auteursschap 
vast te stellen. De afgelopen jaren hebben 
anderen ettelijke studies van dit soort onder- 
nomen en het aantal neemt elk jaar toe. 
De meest bekende van die studies, in 1 964 
gepubliceerd door Frederick Mosteller van 
de Harvard Universiteit en David L. Wallace 
van de Universiteit van Chicago, betreft 12 
der zogenaamde (Amerikaanse) „Federalis- 
tische geschriften", waarover men van 
mening verschilde wat betreft de vraag 
wie de auteurs waren. 
Door gebruik te maken van woordafdruk- 
ken konden de deskundigen vaststellen 
welke verhandelingen geschreven waren 
door Alexander Hamilton en welke uit de 
pen van James Madison gevloeid waren. 
Men verkrijgt woordafdrukken door pas- 
sages van minstens 1000 woorden van 
elke schrijver in een computer in te voeren 



en te analyseren hetgeen Dr. Rencher 
noemt „niet-contextuele woorden", zoals 
„en", „want", „het", „aangezien", „zijn" en 
„welke". 

De statistici verklaren dat verschillende 
auteurs verschillende patronen hebben in 
het gebruik van deze woorden. 
Deze patronen staan los van het verband 
van het geschrevene, maar zijn constant 
door het gehele schrijven van de betrok- 
ken auteur heen. 

„Dit maakt van de woordafdruk een nuttig 
werktuig om auteursschap vast te stellen, 
zoals men van een vinger- of stemafdruk 
gebruik kan maken om de identiteit van 
een persoon vast te stellen", aldus Dr. Ren- 
cher. 

Maar ondanks hun indrukwekkend bewijs- 
materiaal van de authenticiteit van het 
Boek van Mormon verklaarden de beide 
navorsers toch dat men niet op deze manier 
een getuigenis van het Boek van Mormon 
dient te verkrijgen. Het Boek zelf zegt ons 
hoe dat moet gebeuren: door studie, gebed 
en diep nadenken." 



Broeder L W. D. Bovet 




BEZOEK AAN EEN 
90-JARIGE 

Op een mooie avond, niet lang nadat hij 
negentig jaar geworden was, belden wij 
aan bij zijn woning, gelegen in een met 
bloeiende meidoorns getooide laan in 
Delft. 

Even later stond hij voor ons: Leonardus 
Wilhelmus David Bovet, geboren op 16 
mei 1 890 in Den Haag, van Frans-Zwitserse 
komaf en sedert 1951 een actief, over- 



tuigd lid van De Kerk van Jezus Christus 
van de Heiligen der Laatste Dagen. 
Wij laten broeder Bovet zelf aan het woord: 
„Van huis uit ben ik Evangelisch-Lutersch. 
Jaren voordat ik tot de Kerk toetrad pro- 
beerde een familielid uit Amerika, die op 
bezoek kwam, mij tot het Mormoonse 
geloof over te halen. Ik heb 'm zogezegd 
weggejaagd, want ik wilde er niets van 
weten. 

Maar in 1 950 kwamen er zendelingen van 
de Kerk bij ons aan de deur. M'n vrouw (ze 
was een half jaar ouder dan ik en ze is 
zeven jaar geleden gestorven) had er 
onmiddellijk oren naar, maar ik was niet zo 
gauw overtuigd. Totdat ik eens in het 
Volksgebouw in Den Haag een Mormoonse 
conferentie bijwoonde. 
De mensen waren allemaal zó hartelijk 
tegen me, dat ik ineens voelde: hier is mijn 
plaats, hier hoor ik thuis. En nadat ik enkele 



doopdiensten had bijgewoond, werden 
mijn vrouw en ik in juni 1951 gedoopt als 
leden van De Kerk van Jezus Christus van 
de Heiligen der Laatste Dagen. 
Van toen af zijn we altijd aktief geweest. 
Mijn vrouw was o.a. ZHV-presidente en ik 
was gedurende twaalf jaar met tussen- 
pozen president van de Delftse gemeente 
van de Kerk. Momenteel ben ik secretaris 
van het hogepriestersquorum. 
Wij hebben veel tempelwerk gedaan, in 
Salt Lake City, Londen en Zollikhofen. 
Hoe ik me bezig houdt? Wel, ikdoe alles in 
huis zelf, tot koken toe. Ik verveel me nooit. 
Ik heb veel vrienden en vriendinnen en ben 
zelden thuis. En dat bezoeken van vrien- 
den doe ik op de fiets. Ik fiets graag. Kort 
geleden heb ik nog een nieuwe fiets 
gekocht. Vijf of zes jaar geleden zei de 
dokter nog tegen me: jij kan de zesdaagse 
nog wel meerijden, maar dat heb ik toch 
maar niet geprobeerd. 
Ja, ik heb een sterk getuigenis van de 
waarheid van het Evangelie. Ik heb fijne 
ervaringen opgedaan bij het zalven van 
zieken en in verband met het Woord van 
Wijsheid. 

En nu vraagt u me hoe het me op m'n 
verjaardag is gegaan. Nou, het was een 
plezierige, drukke dag, met veel telefoontjes," 
bloemen, kaarten en brieven. 



Maar het mooiste was toch die zaterdag 
daarna. Eén van m'n vriendinnen in de 
Kerk, had buiten mijn weten een verjaars- 
feestje voor mij georgaiseerd. Het was een 
volkomen verrassing, want ze hadden me 
gefopt en gezegd dat ik thuis afgehaald 
zou worden om een herdenkingsdienst ter 
gelegenheid van het 1 50-jarig bestaan van 
de Kerk bij te wonen. Maar toen ik bij de 
zaal kwam werd ik verwelkomd door wel 
vijftig familieleden en vrienden. Nou, deze 
avond is voor mij onvergetelijk. Toespraak- 
jes, gedichten, muziek, cadeautjes, enzo- 
voort. Ik kreeg er tranen van in m'n ogen, 
dat begrijpt u wel. Oud-Ringpresident van 
der Put heeft me ook toegesproken. En 
weet u wat voor mij zo leuk was? Ze 
hadden ouwe familiefoto's van me te 
pakken gekregen en die werden daar ge- 
projecteerd, met commentaar natuurlijk. 
Nee, ik zal die fijne avond nooit vergeten." 
Aldus broeder Bovet. 

Toen wij naar huis reden klonken ons nog 
steeds zijn woorden in de oren: „Mijn 
vrouw en ik hebben nooit kinderen van 
onszelf gehad, maar alle jonge mensen in 
de gemeente Delft zijn mijn kinderen. Ik 
houd van hen en zij houden van mij. Als ik 
iemand anders door te helpen, gelukkig 
kan maken, ben ik dat zelf ook." 



MIJN GELIEFDE 
BROEDERS EN ZUSTERS 

Het is moeilijk om afscheid te nemen, wij 
hebben altijd van ons verblijf hier in dit 
speciale land gehouden. 
Het land is uniek door zijn vele rivieren en 
kanalen, en we houden ervan om in de 
vroege morgen de dauw van de velden en 
weilanden te zien optrekken. Ja, we zullen 
jullie allemaal missen; we zijn zo langza- 
merhand gewend geraakt aan jullie aan- 
wezigheid. 

Wij vonden het altijd fijn om kerkliederen in 
het Nederlands te zingen, ik weet nog dat 
ik voor het eerst een lied in het Nederlands 
zong, het was bij een doopdienst en was 
een van mijn lievelings-liederen „Moog' de 



Heil'ge Geest U leiden". 
Al de jaren van mijn leven dat ik met mijn 
man getrouwd ben vertelde hij mij over zijn 
zendings-ervaringen in Nederland, en ik 
vroeg me af of Nederland echt zo geweldig 
kon zijn. Ik ben tot de conclusie gekomen 
dat het inderdaad zo is. Ik ben erg 
dankbaardatikde gelegenheid heb gehad 
om samen met mijn man hier een zending 
te vervullen. 

Ikwil U tenafscheid mijngetuigenisgeven. 
Ik weet dat mijn Verlosser leeft. Ik weet dat 
Joseph Smith een waarachtig profeet was 
en dat hij het Boek van Mormon met Gods 
hulp heeft vertaald. 

Ik weet dat Spencer W. Kimball een 
waarachtig profeet is. Ik zeg dit in de naam 
van Jezus Christus. 

Beverly Standing Limburg 



Van vriend tot vriend 

9/1980 





Van 

bomen tot 
timmerhout 

Door Alan W. Farrant 

Voordat een boomstam tot timmerhout kan 
worden gemaakt, moeten er verschillende be- 
langrijke dingen gebeuren (zie de illustraties). 

A. Eerst wordt de schors eraf gehaald en, 
hoewel deze niet geschikt is voor timmer- 
hout, kan zij worden gebruikt als brand- 
stof of als bodembedekker. 

B. Deze stukken worden wanedelen ge- 
noemd en worden zo klein mogelijk ge- 
zaagd zodat er zoveel mogelijk hout voor 
waardevol timmerhout overblijft. 

C. Omdat dit gedeelte van de stam gewoon- 
lijk minder knoesten heeft worden de 
planken die van dit gedeelte gezaagd wor- 
den gewoonlijk glad of kwastvrij hout ge- 
noemd. Deze planken worden gezaagd 
met een dikte van tussen de tweeëneenhal- 
ve en zeveneneenhalve centimeter. 

D. Het hout midden in de stam is minder 
geschikt voor schrijnwerk vanwege de ve- 
le knoesten. Dus worden er zwaardere, 
ruwere en dikkere steunplanken en -bal- 
ken ofwel constructiehout uit dit gedeelte 
gezaagd waar de knoesten ze niet zullen 
verzwakken. 



Iedere knoest laat zien waar er eens een tak aan de boom groeide - waar deze ontstond - en zij 
komen meer voor binnenin de boom, omdat dit het oudste gedeelte van de boom is. Takken die 
werden verwijderd of afgebroken in het vroege bestaan van de boom lieten knoesten achter die 
bedekt werden naarmate de boom groter werd. 

Net als de vingerafdrukken van de mens, heeft iedere boom zijn eigen, unieke tekeningen. De 
draad van iedere plank is ook anders dan die van de planken van alle andere bomen. En dat 
geldt ook voor de knoesten. C 



1 




t „ mr* * • ' 



* ** ml f 





/ 

lik / ""■ 



De slee 



Door ouderling Eldred G. Smith 
Emeritus patriarch 



Sleetje rijden was in mijn jonge da- dat we geen slee hadden waar we met 

gen een geweldige sport, en de heu- een paar kinderen tegelijk op kon- 

vels achter ons huis boden ontelbare den zitten. 

hellingen voor onze lievelingsbezig- Op zekere dag, toen ik een jaar of 

heid. Onze enige moeilijkheid was tien was, vroegen twee van mijn 



vriendjes of ik met hen mee wou 
gaan naar een bouwvallige hut hoog 
op de heuvel. De wanden waren ge- 
maakt van platen golfijzer, maar ze 
hingen er los bij en klepperden in de 
bries. Wat een geweldige slee zou een 
stuk van die hut zijn als het ene uit 
einde omhoog werd gebogen. 
Na school haastte ik mij naar huis 
om een hamer te halen. De enige die 
ik kon vinden was er een uit mijn 
vaders tandtechnisch laboratorium. 
Hij was niet thuis, dus pakte ik de 
hamer en ging er met mijn vriendjes 
vandoor. 

Er lag veel sneeuw die winter en de 
dagen waren kort. Het duurde alle- 
maal wat langer dan we hadden ge- 
dacht en voordat we klaar waren 
met het maken van onze slee begon 
het donker te worden. 
Tenslotte besloten we dat het beter 
was vlug naar huis te gaan voordat 
het te donker werd om te zien. Er 
was geen pad op de heuvel en de 
sneeuw lag meer dan kniehoog. We 
begonnen de helling af te rennen, 
springend door de diepe sneeuw. 
Mijn handen waren ijskoud en ge- 
deeltelijk gevoelloos. Plotseling 
voelde ik hoe mijn vaders hamer uit 
mijn vingers gleed en met een grote 
boog achter mij in de sneeuw be- 
landde. Ik riep tegen mijn vriendjes 
dat ze moesten wachten. Zij stopten 
en vroegen wat er aan de hand was, 
maar weldra werden ze ongeduldig 
en wilden zij niet meer op mij 
wachten. 

Ik keerde op mijn schreden terug in 
een poging de hamer te vinden, 
maar hij had geeneens een spoor in 



de sneeuw achtergelaten. Radeloos 
keek ik om mij heen. 
Het was nu echt donker aan 't wor- 
den en ik was moederziel alleen op 
de heuvel in diepe sneeuw. Ik wist 
dat ik mijn vaders hamer niet had 
moeten nemen zonder zijn toestem- 
ming, want hij had hem nodig bij 
zijn werk. Nu was hij verdwenen en 
kon ik hem niet vinden. 
Terwijl ik daar zat in de sneeuw 
voelde ik mij zo verdrietig en koud 
en eenzaam, dat ik eigenlijk in tra- 
nen wilde uitbarsten. En toen herin- 
nerde ik mij hoe mij was geleerd dat 
wanneer ik hulp nodig had ik kon 
bidden tot mijn hemelse Vader - on- 
geacht waar ik mij bevond. Ik had 
zeker hulp nodig, dus begroef ik 
mijn gezicht in mijn handen en bad 
met heel mijn hart. 
Toen ik mijn ogen opendeed en opzij 
rolde om weer op te staan, verdween 
mijn hand in de diepe sneeuw en 
kwam daar in aanraking met iets 
hards. Ik pakte het beet en haalde 
het naar boven. Het was mijn vaders 
hamer. 

Ik bedankte mijn hemelse Vader 
voor het verhoren van mijn gebed. 
Toen sprong ik op en haastte mij zo 
vlug ik maar kon om de andere jon- 
gens in te halen, die nu ver vooruit 
waren. 

Terwijl ik mij voortspoedde besefte 
ik dat ik die dag iets heel belangrijks 
had geleerd - dat wij nooit alleen zijn 
en dat onze gebeden worden ge- 
hoord en verhoord. D 




Mijn dagboek 



Door Rae Merritt 



18 april 

Mijn moeder heeft mij dit dagboek gege- 
ven en mij gezegd te schrijven over som- 
mige van de dingen die met mij gebeu- 
ren. Ik lees graag de dagboeken van an- 
dere mensen, maar ik weet niet of ik zelf 
ooit iets interessants zal hebben om over 
te schrijven. 

21 mei 

Mam had nog steeds geen brood gebak- 
ken toen ik vandaag uit school kwam en 
dat had ze toch beloofd. Ze was in haar 
slaapkamer en lag weer te slapen. Zo te 
zien moet ze de hele dag op bed hebben 
gelegen. Ik ben blij dat ik de vaat van het 
ontbijt had gedaan voor ik naar school 
ging, anders had alles er nog gestaan. 
Ik heb bij Susan thuis gespeeld totdat 
pap thuiskwam; daarna hebben we sa- 
men het eten klaargemaakt. Mam had 



geen honger en pap heeft ook niet veel 
gegeten. De laatste tijd is hij wel heel 
dikwijls in een slecht humeur. 

22 mei 

Pap kwam gisterenavond bij me praten. 
Hij zei dat mam erg ziek is en dat ik veel 
meer in huis zal moeten helpen. Ge- 
woonlijk lacht pap veel en maakt hij 
grapjes. Ik had hem nog nooit zien 
huilen. 

% Het is nu bedtijd. Ik heb de hele dag hard 

\ gewerkt en ik ben moe. 

24 mei 

Vanaf woensdag hebben we vakantie. 
Daar ben ik blij om. Het is niet leuk om 
naar school te moeten en ook een huis 
schoon te maken en alles. Ik ben blij dat 
ik nog maar tien ben en in geen jaren zal 
trouwen. Wanneer je moet werken blijft 
er niet veel tijd over om te spelen. Susan 
zegt dat ik verwaand word omdat ik niet 
meer met haar speel. Maar zij heeft geen 
zieke moeder. 

Pap liet mij vanochtend helemaal alleen 
pannekoeken bakken. Ze waren echt 
heel lekker, maar pap had zeker geen 
honger, want hij heeft er maar een 
gegeten. 



25 mei 

Het Jeugdwerk was fijn vandaag. Zuster 
Hunt heeft ons verteld van president Lo- 
renzo Snow en we hebben de film De 
vensteren des hemels gezien. 
De vensteren des hemels gingen thuis 
ook open, want mam had het eten klaar 
en ze had een jurk aan in plaats van haar 
duster. 

We hebben samen gegeten en gelachen 
en gepraat en pap heeft zelfs mopjes ge- 
maakt over z'n werk. Na het eten werd 
mam moe. Ik heb afgewassen, terwijl 
pap afdroogde en de spullen wegborg. Ik 
wou dat ik wat broers en zusjes had om 



met de vaat te helpen, maar dan zou die 
ook groter zijn. 

29 mei 

Het spijt me dat ik niet meer geschreven 
heb. Het onkruid groeit harder dan de 
rest van de tuin. President Kimball zegt 
dat we onze huizen en de tuin op moeten 
knappen. Pap laat iedere dag een lijstje 
achter van wat hij gedaan wil hebben. 
Wanneer hij thuiskomt maken we het 
eten klaar, waarna wij eten, afwassen en 
een poosje bij mam zitten praten, als zij 
wakker is. 

Ik heb het altijd fijn gevonden om vroeg 
naar bed te gaan en nog een tijdje te 
lezen, maar nu ga ik vroeg naar bed om 
te slapen. Vroeger dacht ik dat het leuk 
zou zijn om een pioniersmeisje te zijn. 
»Zij mochten dingen doen zoals kaarsen 
maken en zeep, en ze mochten op een 
kampvuurtje koken. Maar nu ben ik blij 
dat ik geen pionierster ben. Ik word al 
moe van wat onkruid uittrekken en van 
het afstoffen en afwassen. 

30 mei 

Vandaag zijn we met z'n drietjes naar de 
Zondagsschool geweest. Mam zag er zo 
lief uit in haar blauwe jurk. Zij heeft 'm 
een maand geleden gemaakt, maar hem 
nog nooit gedragen. Ze heeft door een 
gedeelte van de opening van de Zon- 
dagsschool heen tegen paps schouder 
aangeleund geslapen, maar niemand 
scheen dat erg te vinden. Na de avond- 
maalsdienst hebben we een wandelinge- 
tje gemaakt en onze plannen voor mor- 
gen besproken. 

10 juni 

Het is niet eerlijk - mam slaapt en doet 
niets en vindt dat vreselijk; ik doe haar 
werk en vindt dat ook vreselijk. Tien jaar 
is niet oud genoeg om moeder te zijn. En 
zelfs al ben ik niemands moeder, ik moet 



toch alles doen. Er zit zeker niets anders 
op dan beter m'n best te doen. 

23 juni 

Ik heb 't echt heel druk gehad, maar het 
is leuk geweest. Pap en ik hebben afgelo- 
pen zaterdag twintig pond aardbeiden 
geplukt. We hebben ze gewassen en de 
steekjes eraf gehaald, waarna we ze in de 
helft hebben gedaan en er jam van heb- 
ben gemaakt. Het was o zo leuk en we 
hebben een heleboel gelachen. Mis- 
schien omdat hij zo groot is en zo'n diepe 
stem heeft, was ik vroeger een klein beet- 
je bang van m'n vader. Maar nu ben ik 
dat helemaal niet meer. Of ik ben aan 't 
opgroeien of ik begrijp hem nu beter. 
Hoe dan ook, we hebben ook een aard- 
beientaart gemaakt voor toe en de rest 
van de aardbeien in de diepvries gestopt. 
Ze zullen volgende winter heerlijk 
smaken. 

Mam heeft een poos in de keuken geze- 
ten en toegekeken, maar ze was niet in 
staat om te helpen. 

6 juli 

Onze gemeentepresident gaf zijn getui- 
genis in de vergadering vandaag en ik 
kreeg er kippevel van. Pap stond daarna 
ook op en zei hoe dankbaar hij was voor 
zijn zegeningen, vooral voor zijn gezin, 
en ik had wel kunnen huilen. Pap schonk 
helemaal geen aandacht aan de tranen 
die van achter zijn brilleglazen naar be- 
neden rolden. Toen hij weer ging zitten, 
stond ik op, hoewel ik dat helemaal niet 
van plan was geweest. Ik weet niet meer 
wat ik gezegd heb, maar ik kreeg een heel 
warm gevoel. En dat heb ik nog. 

23 juli 

Pap heeft vanochtend drie van m'n pan- 
nekoeken gegeten. Het is de eerste keer 
dat hij zoveel trek had. Zuster Hunt 
kwam en we hebben brood gebakken. 
Heerlijk. Ik kan het nog steeds ruiken en 



proeven. Ik zal het prettig vinden om 
thuis te blijven en brood te bakken als ik 
een moeder ben. En m'n kinderen zullen 
't ook vast fijn vinden. Ik vind meubels 
afstoffen en in de was zetten niet erg, 
maar ik heb een hekel aan het schoon- 
maken van de badkamer. Ik ben blij dat 
we hier geen vier jongens hebben zoals 
bij Susan. Jongens maken een vreselijke 
troep van de wastafel. 
Pap en ik lezen mam 's avonds om beur- 
ten het Boek van Mormon voor. Zij luis- 
tert er graag naar. Ik begrijp er eigenlijk 
niet alles van, maar het geeft me wel een 
fijn gevoel. 

Pap praat nu dikwijls met me. Vana- 
vond zei hij dat mam binnenkort weg- 
gaat. Zijn stem klonk raar en hij drukte 
mij tegen zich aan. Ik geloof dat hij be- 
doelt dat zij doodgaat. Ik kan het maar 
niet geloven, maar dat zal wel zijn omdat 
ik dat ook niet wil. 

8 augustus 

Toen ik vanochtend wakker werd waren 
mam en pap weg en was zuster Hunt 
bezig mijn ontbijt klaar te maken. Ze zei 
dat mam midden in de nacht ziek was 
geworden en dat pap haar had meegeno- 
men naar het ziekenhuis. Ik ga een poos- 
je bij zuster Hunt logeren. 

12 augustus 

Toen ik al in bed lag hoorde ik pap 
binnenkomen en met broeder en zuster 
Hunt praten. Ik hoopte dat hij ook bij 
mij zou komen praten, maar dat deed hij 
niet. Er was iets waardoor ik niet op kon 
staan en naar hem toe gaan. 



13 augustus 

Toen ik vanochtend wakker werd zat 
zuster Hunt bij me op bed. Zij hield mij 
een poosje in haar armen en ik wist wat 
zij ging zeggen. Na een paar minuten 
vertelde ze dat mam naar huis, naar onze 
hemelse Vader was gegaan. Ik knikte 
alleen maar. Toen ze terug naar de keu- 
ken ging, heb ik m'n hoofd onder de 
dekens gestopt, en gehuild. 

17 augustus 

Ik kan mij niet veel meer herinneren van 
de begrafenis. Mam zag er vredig uit in 
haar witte jurk. Ik dacht alsmaar dat het 
maar een droom was en dat ik wakker 
zou worden en dat we dan weer een ge- 
lukkig gezin zouden zijn. Ik heb mezelf 
zelfs geknepen om er zeker van te zijn 
dat ik wakker was. Iedereen is nu weg 
behalve pap en ik. Het is wel erg stil in 
huis. 

10 september 

Ik kan nauwelijks wachten om pap te 
vertellen over m'n droom. Ik zag mam 
en ze lachte en was weer mooi. Ik zat bij 
haar op schoot en ik kon de bloemetjes 
in haar haar ruiken. Ze zei dat ik geluk- 
kig moest zijn en dat we op zekere dag 
weer allemaal bij elkaar zouden zijn en 
dat het fijner zou zijn dan ooit. Ik ben 
haast gelukkig. 

Dezelfde dag. Raad eens wat er gebeurd 
is. Pap heeft ook van mam gedroomd. 
Hij heeft gezegd dat we morgen gaan 
picknicken. Alleen maar wij tweetjes. 

D 



Voor de grap 





Verborgen dingen 

Kunnen jullie de jongens helpen hun basebal 
te vinden en daarnaast ook een potlood, een 
kever, een vlinder, een sprinkhaan, een 
vogel, een pet, een schildpad, een slang, een 
pad, een slak en een muis? 



Kamelentweelingen 

Door Roberta L. Fairall 

Haal de kamelen eruit die bij 
elkaar horen en sluit je aan bij de 
karavaan door de woestijn. 




Alle soorten 



Door Ruth McFadden Svec 
Tekeningen van Pat Hoggan 




En sterke, moedige vrienden. 



En ook oudere vrienden. A 

~«±'^' — , p Is 

m m ■ ia 

* vV* .ft-, h \-,r 






f '.' 



Zk 



Ik heb vrienden met vier benen, 



En andere met maar 



Ik heb verlegen vrienden, 

En vrienden die miauwen. 




Ik heb vrienden met vier benen , 



naar twee. J^\^ < ^^ 

1.' L 

Ik heb vrienden die hinneken, 





j 



. •"■■S*-*""*™* i " - t 



ÜS&. 




} 



Ik heb vrienden die kunnen zwemmen; Terwijl andere door de lucht vliegen. 

O, ik zal nooit eenzaam zijn, want ik heb overal vrienden. 




Zuster Beverly Standing- Limburg 








President John M. Limburg 



AFSCHEID VAN ONZE ZENDINGSPRESIDENT 
EN ZIJN ECHTGENOTE 



Ongeveer anderhalf jaar geleden had ik 
een wonderlijke droom. 
Ik zag hier in Nederland duizenden mensen 
gewekt door de geest van Elia. Menigten 
brachten een bezoek aan open huizen 
die werden gehouden in Mormoonse kerken. 
Onderwerp: „Klim in je stamboom!" 
Ik zag veel mensen een bezoek brengen 
aan deze tentoonstellingen en vragen 
stellen aan leden en zendelingen. 
De meerderheid van het Nederlandse volk 
had een sterk verlangen te weten te komen 
wie hun voorouders waren en zij wilden op 
één of andere manier met hen geïdentifi- 
ceerd en verbonden worden. 
In deze droom zag ik mensen kijken naarhet 
„Klim in je stamboom"-programma op de 
televisie en ik zag hen trachten meer te 
weten te komen van de leden en de zende- 
lingen en later geraakt door de geest van 
Elia, gedoopt worden. Immers, de geest van 
Elia werd voor het eerst in deze bedeling 
verklaard door Moroni aan de profeet 
Joseph Smith, toen Moroni aan Joseph 
verscheen in de nacht van 21 september 
1823 in Josephs huis nabij Palmyra in de 
staat New York. 

De engel Moroni citeerde toen uit het 
Boek Maleachi ondermeer de woorden: 
„En hij (Elia) zal de aan de vaderen ge- 
maakte beloften in het hart der kinderen 
planten, en het hart der kinderen zal zich 
tot hun vaderen wenden. Indien het niet zo 



ware, zou de ganse aarde bij Zijn komst 
volslagen worden verwoest." 
Toen ik uit deze droom ontwaakte keek ik op 
mijn wekken het was drie uur in de ochtend. 
Ik ging weer slapen en weer had ik dezelfde 
droom. De volgende morgen vertelde ik mijn 
vrouw over mijn droom. Zij zei: Nu weet je 
waarom onze Hemelse Vader jou riep om 
hierheen te komen en over deze zending te 
presideren." Ik dacht over haar opmerking 
na. Mijn hele leven had ik aan de genealogie 
van mijn familie gewerkt. Mijn vader had mij 
daartoe geroepen vlak voor zijn dood toen ik 
nog maar 1 6 jaar was. Na mijn eerste zen- 
ding hier in Nederland, van 1937 tot 1939, 
werkte ik onafgebroken aan al mijn familie- 
takken, zelfs aan die van mijn vrouw, Beverly 
Standing. 

Ik vertelde mijn droom eveneens aan mijn 
beide raadgevers in het Zendingspresidium. 
Er werd een comité gevormd om de details 
uit te werken van een plan voor een 
genealogie-zendingsprogramma voor Ne- 
derland. Tijdens het uitwerken van de 
plannen werd al gauw duidelijk dat er veel 
geld nodig zou zijn om hetTV-programmate 
verwezenlijken. Ik heb hierover veel kontakt 
gehad met de leiders van onze Kerk. 
Het geld was niet onmiddelijk beschikbaar, 
dus konden wij niet onverwijld beginnen. 
Intussen waren wij bevriend geraakt met 
een topman van de NCRV. Wij spoorden 
hen aan 'n bezoek te brengen aan Salt 



Lake City om een goed idee te krijgen van 
onze kerkelijke programma's. Dit hebben zij 
gedaan. Wat zij daar zagen maakte hen zeer 
enthousiast: het programma voorde Lama- 
nieten aan de Brigham Young Universiteit, 
het Centrum voor Taalonderricht aan de 
universiteit, het welzijnszorgprogramma, de 
bibliotheek voor genealogie, de onderaard- 
se gewelven voor de opslag van films, een 
persoonlijke ontmoeting met President 
Kimball, het ZHV-centrum, het Tabernakel- 
koor, het bezoekerscentrum op het Tempel- 
plein. 

Toen besloten deze leiders van de NCRV 
een televisie-documentaire te maken met 
de nadruk op ons genealogie-programma. 
Voor ons was dit het antwoord op onze 
gebeden. De documentaire werd in de 
eerste helft van mei j.l. in Salt Lake City op 
de film vastgelegd, kompleet met een 
groet van President Kimball aan het Ne- 
derlandse volk. De mensen van de NCRV 
vroegen ons duizenden exemplaren van 
het boekje „Klim in je stamboom" beschik- 
baar te stellen ter distributie na vertoning 



van de documentaire, die deze zomer of in 
het najaar zal plaatsvinden. De duurervan 
is ongeveer een uur. 



Laten wij vrienden en familieleden uitnodi- 
gen om er samen met ons naar te kijken. 
Laten wij plannen maken voor haardvuur- 
avonden bij ons thuis en open huizen in 
onze kerkgebouwen. Als wij dit doen 
maken wij een doorbraak in de overdracht 
van het mooie evangelie aan het Neder- 
landse volk. Er zullen deuren geopend 
worden. Beverly en ik getuigen tot U, 
broeders en zusters, dat de geest van Elia 
over dit land vaardig zal worden. 
Wij overhandigen u bij ons afscheid de 
fakkel en roepen u toe: „Gaat door, houdt 
vol, geliefden !" 

Wij zullen U missen en wij zullen U gade- 
slaan. 



John M. Limburg 




President John A. Roghaar 



Toen broeder John Andrew Roghaar in 
1938, na een eervolle zending in Neder- 
land volbracht te hebben, naar Amerika 
terugkeerde, had hij niet het minste ver- 



ONZE NIEUWE 
ZENDINGSPRESIDENT 



moeden dat hij 42 jaar later opnieuw naar 
de Lage Landen zou komen, maar dan als 
president van het zendingsgebied Amster- 
dam-Nederland. 

Sinds 1 juli j.l. bekleedt broeder Roghaar 
dit ambt, trouw terzijde gestaan door zijn 
charmante vrouw, zuster Ruth Naomi Rog- 
haar-Sorensen. 

- „Hoe staat het met Uw Nederlands?" 
Dat was de vraag die President Marion G. 
Romney van het Eerste Presidium van de 
Kerk onmiddellijk na de begroeting aan 
broeder Roghaar stelde, toen hij deze 
opbelde om hem mee te delen dat op hem 
de keuze was gevallen om in een nieuwe 
functie naar Nederland te gaan. 
President Roghaar vertelde ons verder: 
„Toen ik geantwoord had, dat ik sedert 
1938 heel wat vergeten was, antwoordde 
President Romney schertsend, dat ik mij in 
elk geval méér Nederlands zou herinne- 
ren dan diegenen (zoals hij) die nooit 
Nederlands geleerd hadden". 



6 



- Bent u in Nederland geboren? 

„Nee, mijn wieg, evenals van mijn vrouw 
Ruth, stond in Grace, Idaho. Mijn ouders 
waren uit Amsterdam en Friesland afkom- 
stig. Zij emigreerden in 1 894 als leden van 
de Kerk naar Amerika. Mijn vaderen al mijn 
broers hebben zendingen vervuld. Ik zelf 
was een groot deel van mijn zendingstijd 
op het hoofdkantoor in Rotterdam werk- 
zaam als zendings-secretaris. Verder 
werkte ik in Almelo, Dordrecht en Delft". 

- Wat was u beroep in Amerika? 

„ Ik was jarenlang voorzitter van een land- 
bouw-coöperatie en bemiddelde o.a. tus- 
sen kopers en verkopers van veevoeder, 
kunstmest, zaden e.d. 

- Uw kerkelijke functies? 

„Ik ben o.a. groepsleider van de priester- 
schap geweest en gedurende een twaalf- 
tal jaren diende ik als raadgever in 
verscheidene bisschappen en in diverse 
hulporganisaties". 

- Meent u dat er belangrijke veranderingen 
in dit zendingsgebied zijn gekomen sinds 
uw vertrek in 1938? 

„Wat ik als een grote stap voorwaarts 
beschouw is het feit dat onze kerk sinds 
1952 in Nederland officieel als kerkge- 
nootschap (en dus niet meerals een sekte) 
wordt beschouwd. 

President David O. McKay heeft daar het 
zijne toe bijgedragen en zijn audiëntie van 
destijds bij Koningin Juliana is in dit ver- 
band van betekenis geweest. Verder meen 
ik, dat in Nederland niet meer die mate van 
vooroordeel tegen het zogenaamde MOR- 
MONISME bestaat waar wij als zendelingen 
40 a 50 jaar geleden tegen te vechten 
hadden. Maar aan de andere kant heb ik 
ook de indruk gekregen dat de onkerkelijk- 
heid hier te lande, evenals trouwens in zo 
vele westerse landen, sterk is toegeno- 
men." 

- Hoe ziet u uw huidge roeping als 
overtuigd dat mijn roeping als zendings- 
„Ik heb de overtuiging dat de Heer mijn 
leven gespaard heeft, omdat Hij een 
speciale taak voor mij had en ik ben ervan 
overtuigd dat mij roeping als zendings- 
president die speciale taak vertegenwoor- 
digt. In Nederland ben ik als zendeling 
ernstig ziek geweest. Ik werd geopereerd 
en heb ruim een maand in het ziekenhuis 
gelegen. Ik was toen gemeentepresident 
in Dordrecht en in het bijzonder de leden 
hebben voor mijn herstel gevast en innig 
gebeden. Ik werd beter en de kwaal heeft 



zich nooit meer bij mij voorgedaan. Ik 
geloof stellig dat ook Nederland zijn deel 
zal leveren aan de sterke groei van het 
aantal leden van de Kerk zoals die door 
President Kimball is voorspeld. Hiervoor is 
echter de volle medewerking van elk lid 
van de Kerk nodig", zei President 
Roghaar. 

Hij vervolgde: „Een toevloed van nieuwe 
leden zal de spiritualiteit van de kerk- 
gemeenschap doen toenemen en dat is in 
moeilijke tijden een grote steun. Als u mij 
vraagt wat één van de voornaamste taken 
is die ik ter hand ga nemen, kan ik zeggen 
dat ik de leden ga helpen - en ik bedoel 
100% helpen en steunen - bij het vinden 
van hen, die zoeken naar de Waarheid. Ik 
hebal metvele leden kennisgemaakt(van- 
zelfsprekend ook met de hier werkzame 
zendelingen) en met die kennismakingen 
gaan mijn vrouw en ik steeds door". 




Zuster Ruth Naomi Roghaar- Sorensen 

Zr. Roghaar, de echtgenote van de nieuwe 
zendingspresident, vertelde ons dat haar 
overgrootouders uit Noorwegen naar 
Amerika geëmigreerd zijn. Zij zelf spreekt 
echter geen Noors. 

Zr. Roghaar is o.a. werkzaam geweest als 
wijkpresidente van de Zustershulpvereni- 
ging en als Jonge-Vrouwenpresidente op 
zowel wijk- als ringniveau. 



- Bent u al eerder in Nederland geweest ? 
„Mijn man en ik hebben een jaar of vijf 
geleden een heel kort bezoek aan dit land 
gebracht tijdens een Europese reis." 

- Wat zijn uw eerste indrukken van Neder- 
land? 

„Wat het klimaat betreft, ik ben niet 
gewend aan zoveel regen. Dit deel van het 
land (het Gooi), waar wij wonen, vind ik 
prachtig. En wat de mensen aangaat, ze 
zijn altijd voorkomend en vriendelijk tegen 
mij." 

- Heeft u kinderen ? 

„Wij hebben vier dochters en veertien 
kleinkinderen, van wie er elf jongens zijn. 
Eén van onze dochters heeft een zending 
vervuld. Alle dochters zijn in de tempel 
getrouwd en mijn schoonzoons zijn actief 
in de Kerk." 

- Had u niet graag een paar zonen gehad ? 
„Ach, ik heb er vier goede zonen bij gekre- 



gen toen mijn dochters trouwden en dan 
zijn er nog elf kleinzoons, die allen zende- 
lingen zullen worden." 
- Verheugd u zich op uw werk hier? 
„Zeer zeker. Ik wil heel nauw met de zusters 
in de Z.H.V., het Jeugdwerk en de Jonge- 
Vrouwenorganisatie samenwerken. Ik wil 
helpen zoveel ik kan en dan zal ik gelukkig 
zijn." 

Toen wij deze overtuigende woorden van 
zuster Roghaar hoorden, bestond er bij 
ons geen enkele twijfel: Zij, die aan Zr. 
Roghaar om medewerking zullen vragen 
worden niet teleurgesteld. 



Namens alle lezers van De Ster zegt de 
nieuwsredactie: Broederen zuster Roghaar, 
u bent van harte welkom bij ons en wij 
wensen u veel zegen op uw arbeid. 



KERKLITERATUUR 

VOOR KINDEREN EN TIENERS 

De behoefte aan kerkliteratuur voor 
kinderen en tieners is groot. Paul en 
Mary van 't Schip hebben met Carlo en 
Armanda Bos het initiatief genomen hier 
wat aan te doen. 

Nog dit jaar hopen zij de Nederlandse 
uitgaven van het boek „The making of 
a prophet" en het spel „Seek" te kunnen 
publiceren. 

De behoefte, die de beide echtparen in 
eerste instantie bij hun eigen kinderen 
signaleerden bleek, na gesprekken met 
anderen, meer algemeen aanwezig te zijn. 
Omdat broeder van 't Schip in het drukkers- 
vak zit, was de volgende stap eenvoudig. 
Begin 1 980 besloten de beide families dat 
zij een actieve rol wilden spelen in het 
beschikbaar stellen van kerkliteratuur aan 
Nederlandstalige tieners en kinderen. 
Het boek „The making of a prophet" is 
geschreven door Linsdale Curtis en zal in 
het Nederlands worden uitgegeven onder 
de titel: „De profeet Joseph Smith". Met 
veel platen en tekst geeft dit boek een 
levendige beschrijving van het leven en 
sterven van de eerste profeet in deze 
laatste dagen. 
„Seek" is een quiz met 400 vragen over de 



standaardwerken. De Nederlandse uitgave 
heet daarom ook „Standaard Quiz". Omdat 
onderscheid gemaakt is in vier verschillen- 
de graden van moeilijkheid, kan het spel 
door jong en oud worden gespeeld. 
Standaard Quiz is onder andere geschikt 
voor gezinsavonden, lessen en haardvuur- 
avonden. 

Hulp van anderen bij het opzetten van 
nieuwe projecten is volgens zuster Bos 
altijd welkom. „Wij willen graag weten wie 
bereid is te vertalen of te reviewen. Het 
gaat daarbij niet om een letterlijke vertaling. 
De Engelse boeken moeten worden omge- 
zet in Nederlands dat voor kinderen en 
tieners goed te lezen en boeiend is. Ook 
willen wij graag weten aan welk soort kerk- 
literatuur bij deze leeftijdsgroep het meest 
behoefte is." 

Broeder van 't Schip zei gelukkig te zijn 
met de positieve reacties die al binnenge- 
komen waren. „Velen zijn bereid mee te 
werken en dat is naast de verantwoording 
in het gezin en de kerk niet altijd eenvou- 
dig. Ik hoop dat het nieuwe vergaderschema 
stimulerend zal werken op dit soort initia- 
tieven." 

Het adres van br. en zr. Bos is: 
49e laan 3 

7876 GH Valthermond 
telefoon: 05996-2027 



8 



zijn onderdelen. Een stad van Zion is het 
totaal van de rein van harten. De prakti- 
sche vraag die iedere heilige der laatste 
dagen moet beantwoorden is niet „Zijn 
wij een volk Gode ten eigendom?" maar 
„Ben ik een persoon Gode ten eigen- 
dom?" De geïnspireerde vertaling van 
Matteüs 5:13 en 14 luidt: „Ik draag u op 
het zout aarde te zijn" en „Ik draag u op 
het licht der wereld te zijn." (Cursivering 
toegevoegd.) Christus zei niet tegen zijn 
discipelen dat zij het zout en het licht 
waren; Hij droeg ze op het te worden. 
Abrahams verbondsnageslacht werd ge- 
roepen om de heilanden der mensen te 
zijn. Zij werden gekozen om de bood- 
schap der zaligmaking aan alle volkeren 
te brengen. 

Het is een voorrecht om lid te zijn van de 
ware kerk, om door profeten van God te 
worden geleid, om de beginselen van le- 
ven en zaligheid te worden onderwezen, 
om de zegeningenn het priesterschap te 
ontvangen, en de onbeschrijfelijke gave 
van de heilige Geest te genieten. Er is 
veel gegeven; veel zal worden gevergd. 
De middelen waardoor het hedendaagse 
Israël inderdaad een volk Gode ten ei- 
gendom, een heilige natie kan worden, 
zijn gegeven. Noch de Heer noch zijn 
ware discipelen zullen in gebreke blijven. 



Wanneer die vreugdevolle dag aan- 
breekt, zal Jehova eindelijk zijn eigen 
volk hebben. Want, evenals Henochs 
,.Stad der Heiligheid," zal Israël opgaan 
tot de heuvel van de Heer en de letterlij- 
ke aanwezigheid van de Heer Jezus 
Christus genieten. De heiligen zullen zijn 
eigen bezit zijn. Dan zal Israël niet langer 
af moeten hangen van de profeten voor 
hun kennis van de Heer. Want Hij zal de 
naties richten en zijn volk reinigen: 

„Totdat allen, die overblijven 
zelfs van de laagsten tot de 
hoogsten, 
mij zullen kennen, 
en vervuld zullen zijn met de ken- 
nis des Heren, 
en oog in oog zien, 
en hun stem verheffen, 
en met verenigde stemmen dit nieu- 
we lied zullen zingen: 
De Here heeft Zion wedergebracht; 
De Here heeft Zijn volk Israël, 
verlost, 

Volgens de keuze der genade, 
Hetgeen werd teweeggebracht door 
het geloof 

En het verbond hunner vaderen." 
(LV 84:88,89.) D 



25 



De Bijbel heeft niet alleen de stoot gegeven tot het eerste visioen, maar heeft 
andere Schriften verduidelijkt, verdere openbaring voortgebracht, en geholpen 
bij het herstellen van belangrijke leerstellingen van het evangelie. 



DE BIJBEL 
EN ZIJN ROL BIJ 
DE HERSTELLIN 




Door Robert J. Matthews 




26 



De Kerk van Jezus Christus van de Hei- 
ligen der Laatste Dagen is altijd een kerk 
geweest die in de Bijbel geloofde als zijn- 
de het woord van God zoals dat aan de 
profeten vanouds was gegeven. De pro- 
feet Joseph Smith stelde dat men „Gods 
eigen handschrift (kan) zien in het Heili- 
ge Boek. En hij die het meeste leest, zal er 
het meeste van houden, en hij, die er 
mede bekend is, zal die hand steeds weer 
terugvinden, waar die te vinden is." (Le- 
ringen van de profeet Joseph Smith, blz. 
59.) 

Natuurlijk stelde Joseph Smith ook dat 
de Bijbel niet in zijn oorspronkelijke zui- 
verheid bewaard was gebleven: „Wij ge- 
loven dat de Bijbel het woord van God 
is, voorzover de vertaling juist is" (acht- 
ste Artikel des Geloof s). Onder het 
woord vertaling, zoals dat hier wordt ge- 
bruikt, moet ook het begrip overbren- 
ging worden begrepen. Dat wil zeggen, 
dat er niet alleen fouten zijn geslopen in 
de vertaling van de ene taal in de andere, 
maar ook in de overbrenging van de 
tekst van het ene manuscript naar het 
andere, zelfs in dezelfde taal. De Bijbel 
heeft schijnbaar het meest geleden aan 
weglatingen. Deze Schriftuur is niet bij- 
zonder onjuist, maar vele belangrijke za- 
ken ontbreken, waardoor sommige de- 
len niet duidelijk zijn. 
Joseph Smith legde dit verder uit toen hij 
zei: „Ik geloof in de Bijbel, zoals die 
door de oorspronkelijke schrijvers werd 
gegeven. Maar door onwetende verta- 
lers, achteloze overschrijvers en samen- 
spannende en verdorven geestelijken 
zijn vele fouten gemaakt." (Leringen, 
blz. 347.) 

Het Boek van Mormon identificeert de 
Bijbel als de kroniek van de joden en 
stelt het volgende over de Bijbel: hij is 
door geïnspireerde profeten geschreven; 
oorspronkelijk was hij gemakkelijk te 
begrijpen; door de eeuwen heen zijn vele 
duidelijke en waardevolle dingen eruit 



verloren gegaan. Het Boek van Mormon 
bevat ook de profetie dat de verloren 
onderdelen van de Bijbel zouden worden 
teruggegeven. En inderdaad zijn vele 
van de „duidelijke en waardevolle din- 
gen" weer bekendgemaakt door middel 
van hemelse openbaringen aan Joseph 
Smith; door het te voorschijn komen 
van het Boek van Mormon, de Leer en 
Verbonden en de Parel van Grote Waar- 
de; en door Joseph Smiths vertaling van 
de Bijbel. 

Het is duidelijk dat de herstelling veel 
heeft gedaan om de Bijbel begrijpelijk en 
compleet te maken, maar het omgekeer- 
de is ook waar. De Bijbel heeft een unie- 
ke en onmisbare rol gespeeld bij de her- 
stelling. Dit is bijzonder duidelijk bij de 
herstelling van vele fundamentele leer- 
stellingen van het evangelie. 

De Bijbel en het 
eerste visioen 

Het verhaal van de herstelling begint 
met een belangrijke verwijzing naar de 
Bijbel: 

„Op zekere dag (las ik) uit de Zendbrief 
van Jakobus hoofdstuk 1 vers 5, dat 
luidt: En indien iemand van u wijsheid 
ontbreekt, dat hij ze van God begere, Die 
een iegelijk mildelijk geeft, en niet ver- 
wijt; en zij zal hem gegeven worden. 

Nog nooit had een tekst uit de Schriften 
een mensenhart sterker getroffen, dan 
deze, toen, het mijne. Hij leek wel met 
grote kracht in iedere vezel van mijn hart 
door te dringen. Ik dacht telkens en tel- 
kens weer over deze tekst na ... en 
kwam tenslotte tot het besluit om het 
aan God te vragen." (Joseph Smith 2, 
blz. 11-13.) 

In antwoord op zijn gebed, beleefde Jo- 
seph een van de grootste geestelijke ma- 
nifestaties aller tijden, waarin hij zowel 
de Vader als de Zoon aanschouwde en 
met Hen sprak. Het eerste visioen leerde 



27 



Joseph onder andere dat er een God is 
die gebeden hoort en verhoort, dat de 
Vader en de Zoon afzonderlijke wezens 
zijn, en dat zij de gedaante van een mens 
hebben. Hij vernam ook dat de ware 
kerk van Jezus Christus op dat moment 
niet op aarde was. Al deze fundamentele 
beginselen van het herstelde evangelie 
zijn historisch en theologisch verbonden 
met de Bijbel door middel van Jakobus 
1:5 en het eerste visioen. 

De Bijbel en de 
engel Moroni 

Ongeveer drie jaar na het eerste visioen 
ontving de profeet verschillende bezoe- 
ken van de engel Moroni. Hoewel het 
voornaamste thema van Moroni's 
boodschap aan Joseph Smith het ver- 
schijnen van het Boek van Mormon 
schijnt te zijn, haalde de engel ook talrij- 
ke passages uit de Bijbel aan en legde 
deze uit. Het doel hiervan schijnt in de 
eerste plaats te zijn geweest het oriënte- 
ren van de jonge profeet ten aanzien van 
het plan van de Heer voor de laatste 
dagen. 

Een aantal van de door Moroni aange- 
haalde passages werden door de profeet 
geïdentificeerd als gedeelten uit het der- 
de en vierde hoofdstuk van Maleachi, 
het elfde hoofdstuk van Jesaja, het derde 
hoofdstuk van Handelingen en het twee- 
de hoofdstuk van Joel. Joseph Smith zei 
echter ook dat Moroni nog vele andere 
passages had aangehaald en uitgelegd. 
(Zie Joseph Smith 2:36-41.) Alhoewel 
deze „andere schriftplaatsen" in het ver- 
slag van de profeet niet worden 
geïdentificeerd, vormen zij het onder- 
werp van een serie brieven geschreven 
door Oliver Cowdery en uitgegeven in de 
Latter-day Saints Messenger and Advo- 
cate in de maanden februari en april van 
het jaar 1835. In deze brieven verklaart 
broeder Cowdery dat een belangrijk 




Adam 



doel van de instructie van de engel Mo- 
roni was de jonge profeet op de hoogte te 
stellen van Gods werk op aarde in de 
laatste dagen en van de omvang van zijn 
roeping ter voorbereiding op het werk. 
Gedeelten uit het Oude Testament speel- 
den een belangrijke rol bij Moroni's in- 
structie. Oliver Cowdery citeerde Psal- 
men 100,107 en 104, Jesaja 1 en 2; en 
Jeremia 31 als zijnde onder de passages 
die Moroni had aangehaald en uitgelegd 
aan Joseph Smith (zie Latter-day Saints 
Messenger and Advocate, deel 1, num- 
mer 7, april 1835, blz. 109-112.) In zijn 
verhaal verklaarde Joseph Smith dat 
Moroni sommige passages anders had 
geciteerd dan in de King James versie 
voorkomen. (Zie Joseph Smith 2:36-39.) 
Aldus werd Joseph Smiths begrip van de 
Bijbel ten zeerste vergroot door het eer- 
ste visioen en de instructie van Moroni - 
hij wist dat deze door God was 
geïnspireerd, maar ook dat bepaalde ge- 
deelten anders moesten worden weerge- 
geven ten einde de oorspronkelijke bete- 
kenis over te brengen. 

De Bijbel en de 

vertaling van 

het Boek van Mormon 

Bij de taak van het vertalen van het Boek 
van Mormon, ervoer de profeet hoe 
moeilijk het is om een passage uit de ene 



28 



taal nauwkeurig weer te geven in een 
andere taal. Het was alleen door de in- 
vloed van de Geest en „door de gave en 
de macht Gods" dat er een goede verta- 
ling tot stand kon worden gebracht - en 
dan nog werd er aanzienlijke inspanning 
en nadenken gevergd van de vertaler. 
Deze moeilijkheid - het uitdrukken van 
de ware bedoeling van Christus' Schrif- 
tuur - verklaart misschien, tenminste ten 
dele, het veelvuldige gebruik van de taai- 
stijl uit de King James versie in de verta- 
ling van het Boek van Mormon. 
De Bijbel was niet de bron van de gege- 
vens in het Boek van Mormon, maar 
blijkbaar werd de letterkundige stijl van 
de Bijbel benut als een voertuig om veel 
van de begrippen van het Boek van Mor- 
mon over te brengen. De honderden ver- 
zen in het Boek van Mormon die qua 
taal en stijl gelijken op die van de King 
James versie vormen een illustratie van 
de invloed van de Bijbel in deze fase van 
de herstelling. 

De Bijbel en de 
Leer en Verbonden 

Het woord Bijbel komt slechts een keer 
voor in de Leer en Verbonden (42-12); er 
zijn echter vele zinspelingen op de Bijbel 
en veel van de inhoud van de Leer en 
Verbonden is nauw verbonden met de 
Bijbel. 

De Leer en Verbonden bevat instructies 
met betrekking tot Joseph Smiths verta- 
ling van de Bijbel - bijvoorbeeld wanneer 
hij moest beginnen en ophouden, wie 
zijn secretaris moest zijn, en hoe er 
moest worden gedrukt. Het boek bevat 
tevens openbaringen die niet bedoeld 
waren als onderdeel van de bijbeltekst, 
maar die zich ontwikkelden uit de erva- 
ring met het vertalen, zoals de afdelingen 
76, 77, 86, 91 en waarschijnlijk 132. 
Vele verzen in de Leer en Verbonden zijn 
voor een lezer onbegrijpelijk tenzij hij 
weet dat het onderwerp de vertaling van 



de Bijbel betreft. Evenals een aantal van 
de vroege afdelingen van de Leer en Ver- 
bonden draaien om de vertaling van het 
Boek van Mormon (de afdelingen 3, 5, 
8-10 en 17), draaien een aantal van de 
latere afdelingen om de vertaling en 
voorgenomen druk van de Bijbel - delen 
van de afdelingen 35, 37, 41, 42, 45, 47, 
73, 74, 93, 94, 104, 124, en de afdelingen 
76, 77, 87 en 91 in hun geheel. 
Ook de bijbelse wijze van uitdrukking 
wordt dikwijls gevonden in de Leer en 
Verbonden: afdeling 133, bijvoorbeeld, 
is qua inhoud en taal gelijkvormig aan 
Jesaja 63 en 64. Men kan niet vertrouwd 
zijn met de Leer en Verbonden en de 
Bijbel zonder zich bewust te zijn van het 
feit dat de boeken elkaar ondersteunen 
en op belangrijke punten met elkaar ver- 
bonden zijn door de behandelde stof en 
de bewoording. De openbaringen vervat 
in de Leer en Verbonden vormen zelfs 
een sterk getuigenis van de waarheid en 
waarde van de Bijbel. 

De Bijbel en de 

Parel van Grote Waarde 

Twee belangrijke delen van de Parel van 
Grote Waarde - het boek van Mozes en 
het vierentwintigste hoofdstuk van 
Matteüs - zijn in feite fragmenten uit 
Joseph Smiths vertaling van de Bijbel 
(die hieronder wordt besproken). Aldus 
zijn ook vrij grote delen van dit stan- 
daardwerk nauw verwant met de Bijbel. 

De nieuwe vertaüng en 
leerstellige ontwikkeling 

Aan het begin van zijn bediening werd 
de profeet door de Heer opgedragen te 
zorgen voor een revisie, of zoals hij het 
noemde, een „vertaling" van de Bijbel. 
Dit zou geen vertaling zijn in de gebrui- 
kelijke zin van het woord, met een toe- 
passen van de kennis van bijbelse talen, 
het gebruik van oude manuscripten en 
de gebruikelijke werkwijze en uitrusting 



29 



Joseph Smiths 

bekendheid met 

persoonlijkheden uit 

het Nieuwe Testament 




Het verhaal van de herstelling van het evangelie is 

inderdaad een van de meest stimulerende aller tijden. 

Vele persoonlijkheden van de andere kant van de sluier 

bezochten Joseph Smith naarmate de herstelling van 

het evangelie vorderde - waaronder personen van wie 

het sterfelijk leven in het Oude Testament wordt 
besproken, volgens president John Taylor, „Abraham, 
Isaak, Jakob, Noach, Adam, Set, Henoch, en Jezus en 
de Vader, en de apostelen die op dit continent hadden 

geleefd, naast de apostelen die op het Aziatische 
continent hadden geleefd. Hij scheen even bekend te 

zijn met deze mensen als wij dat zijn met elkaar." 

{Journal of Discour ses, deel 21, blz. 94.) In de Leer en 

Verbonden wordt ook gesproken over bezoeken van 

Mozes, Elias, Elia, en „van verschillende engelen van 

Michael of Adam af tot op de huidige tijd. . ." 

(LV 128:21.) 



30 



van de geleerde, maar eerder een verta- 
ling waarin Joseph Smith de ware bete- 
kenis van de Bijbel zou onderscheiden 
door middel van openbaring. Deze is nu 
bekend als de „Joseph Smith Transla- 
tion" - ofwel JST. 

Een belangrijk doel van een nieuwe ver- 
taling schijnt het geestelijke begrip te zijn 
geweest dat als gevolg van zijn inspan- 
ning tot de profeet kwam. Het proces 
bracht hem tot een nieuwe kennis op het 
gebied van de leerstellingen en beginse- 
len. Wellicht is dit een van de belangrijk- 
ste aspecten van Joseph Smiths werk 
met de Bijbel hetgeen ook overeen 
schijnt te stemmen met het doel dat de 
Heer voor de vertaling geeft in LV 45 :60- 
62: 

„En nu, ziet, Ik zeg u: Het is u niet 
gegeven meer aangaande dit hoofdstuk 
te weten, totdat het Nieuwe Testament is 
vertaald, en hierin zullen al deze dingen 
worden bekendgemaakt; 
Daarom sta Ik u toe het nu te vertalen, 
opdat gij op de komende dingen voorbe- 
reid moogt zijn. 

Want voorwaar zeg Ik u, dat grote din- 
gen u wachten." (Cursivering toe- 
gevoegd.) 

Uit deze passage blijkt dat de vertaling 
van de profeet niet zou worden beperkt 
tot een correctie van bepaalde passages 
op grond van openbaring en kennis die 
hij reeds had ontvangen, maar het mid- 
del zou zijn waardoor hij nieuwe open- 
baring zou ontvangen aangaande zaken 
die hem nog niet bekend waren. Duide- 
lijke en waardevolle dingen zouden wor- 
den hersteld. Deze opvatting verleent 
het werk van de profeet met de Bijbel een 
gewicht en een waardigheid die dikwijls 
over 't hoofd wordt gezien en vormt een 
onafscheidelijke band tussen de verta- 
ling van de Bijbel en de herstelling van de 
evangelieleer in deze bedeling. De vol- 
gende onderwerpen zijn fundamentele 
punten van het herstelde evangelie die 



aan de profeet werden geopenbaard ter- 
wijl hij bezig was met het vertalen van de 
Bijbel. 

De visioenen van Mo zes: De juiste datum 
waarop de profeet met zijn vertaling van 
de Bijbel begon is niet bekend, maar 
deze houdt duidelijk verband met de o- 
penbaring betreffende de „Visioenen 
van Mozes," die nu als Mozes 1 in de 
Parel van Grote Waarde staan. Het be- 
lang van de leerstellige, filosofische en 
geschiedkundige inhoud van dit hoofd- 
stuk is degenen die het evangelie bestu- 
deren welbekend, daar deze aanzienlijke 
inlichtingen verschaft over Mozes, sa- 
tan, de godheid en het doel van Gods 
scheppingen'. Deze openbaring bereikt 
een verheven filosofische toon wanneer 
Mozes, overstelpt door de scheppingen 
van de Heer, de vraag stelt: „Zeg mij, bid 
ik U, waarom deze dingen aldus zijn, en 
waardoor Gij ze hebt gemaakt?" De 
Heer zet vervolgens de zending uiteen 
van de Eniggeborene en van de eerste 
man, Adam, en wijst erop dat het werk 
en de heerlijkheid van de Heer is „de 
onsterfelijkheid en het eeuwige leven van 
de mens tot stand te brengen." (Mozes 
1:30-39.) 

Dit beantwoordt het waarom. De eerste 
hoofdstukken van Genesis vertellen ons 
hoe. Deze openbaring is een inleiding tot 
Genesis en zonder deze verliest Genesis 
een gedeelte van zijn perspectief. 
Adam: Adam neemt een bijzondere 
plaats in in de theologie van de heiligen 
der laatste dagen en veel van de bijzon- 
derheden over Adam, zijn naaste familie 
en zijn kennismaking met het evangelie 
wordt gevonden in Joseph Smiths verta- 
ling van Genesis. Deze wordt nu gevon- 
den als Mozes 3-7 in de Parel van Grote 
Waarde en als Genesis 2-7 in de JST. 
Adams getrouwheid bij het brengen van 
offeranden, zijn ijver bij het onderwijzen 
van zijn kinderen, zijn zuivere taal, zijn 
doop en andere belangrijke leerstellige 



en geschiedkundige zaken worden be- 
kendgemaakt in Joseph Smiths vertaling 
van de Bijbel. 

Kaïn en satan: Er werden de profeet niet 
alleen grote dingen geopenbaard over 
God en over de rechtvaardige patriar- 
chen vanouds, maar de vertaling van de 
Bijbel vertelt ook veel over de opstand 
van Kaïn en zijn geheime verbonden met 
satan en vele van de kinderen van Adam. 
Vertel dat onze huidige kennis van Kaïn 
tot ons is gekomen door de vertaling van 
de profeet van de eerste hoofdstukken 
van Genesis zoals nu gevonden wordt in 
Mozes 5 en JST Genesis 4. 
Zion en Henoch: De opvatting van Zion 
als zowel een stad uit oude tijden ge- 
bouwd door de patriarch Henoch als een 
belangrijk onderdeel van het werk des 
Heren dat in deze bedeling nog moet 
worden verwezenlijkt, is overheersend in 
de theologie van de kerk. Veel van het- 
geen ons bekend is met betrekking tot 
Henoch en zijn stad is tot ons gekomen 
door middel van de aan Joseph Smith 
gegeven openbaringen terwijl hij bezig 
was met het vertalen van de eerste 
hoofdstukken van Genesis in november 
en december 1830. Deze verschijnen nu 
als Mozes 6 en 7 en JST Genesis 6 en 7. 
Deze kennisgeving over Henoch en zijn 
stad, die eind 1830 werd ontvangen, 
vormt een algemene achtergrond voor 
de meer gedetailleerde instructie over 
Zion die volgt in de Leer en Verbonden 
en gegeven werd tussen februari en au- 
gustus 1831. (Zie LV 42-59.) 
De verantwoordelijke leeftijd van kinde- 
ren: Een van de meest fundamentele en 
meest bekende leerstellingen in de kerk 
in deze tijd is dat kleine kinderen pas bij 
het bereiken van hun achtste jaar verant- 
woordelijk beginnen te zijn jegens God. 
Het Boek van Mormon is heel duidelijk 
in het vermelden dat kleine kinderen on- 
schuldig zijn voor de Heer, maar het 
geeft niet aan op welke leeftijd zij verant- 



woordelijk worden. De leeftijd van acht 
jaar voor de aanvang van verantwoorde- 
lijkheid wordt genoemd in LV 68:25 en 
27 (uit de openbaring gedateerd novem- 
ber 1831) en is de passage waar gewoon- 
lijk naar verwezen wordt voor inlichtin- 
gen over dit onderwerp. 
Joseph Smiths vertaling van de Bijbel 
geeft echter in Genesis 17:11 (gedateerd 
tussen februari 1831 en 5 april 1831) ook 
aan dat het tijdstip van verantwoorde- 
lijkheid de leeftijd van acht jaar is. De 
Heer is hier bezig Abraham te instrueren 
en de passage luidt als volgt: 
Vertaling van het Nederlandsch Bijbel- 
genootschap Genesis 17:7: Ik zal mijn 
verbond oprichten tussen Mij en u en uw 
nageslacht in hun geslachten, tot een 
eeuwig verbond, om u en uw nageslacht 
tot een God te zijn. 

Vertaling van 
Joseph Smith 

Genesis 17:7. Ik zal een verbond van 
besnijdenis met u oprichten en dit zal 
mijn verbbond zijn tussen Mij en u, en 
uw nageslacht in hun geslachten; dat gij 
voor eeuwig moge weten dat kinderen niet 
verantwoordelijk zijn jegens Mij tot zij 
acht jaar oud zijn. ^Cursivering toe- 
gevoegd.) 

Het verband tussen besnijdenis en doop 
wordt niet uitgelegd, maar de vertaling 



Noach 




32 



van de profeet stelt heel duidelijk welke 
de leeftijd van verantwoordelijkheid is. 
Van bijzonder belang is dat de datum op 
de manuscripten van de profeet van deze 
passage in de Bijbel aantoont dat de op- 
vatting van verantwoordelijkheid op 
achtjarige leeftijd de profeet in ieder ge- 
val reeds bekend was op 5 april 1831, zo 
niet eerder, ofwel tenminste vijf maan- 
den voordat dit vermeld wordt in de o- 
penbaring die nu bekend staat als LV 68. 
Deze zeer belangrijke leerstelling van het 
evangelie werd de profeet dus kennelijk 
voor het eerst bekendgemaakt terwijl hij 
bezig was met het vertalen van het ze- 
ventiende hoofdstuk van Genesis, het- 
geen nog een voorbeeld is van de belang- 
rijke rol van de Bijbel bij de herstelling 
van het evangelie in deze bedeling. 
De drie graden van heerlijkheid: Nog een 
bekende openbaring die aan de profeet 
Joseph Smith werd gegeven beschrijft de 
verschillende toestanden van de mensen 
na de lichamelijke opstanding uit de 
dood, en wordt dikwijls het visioen van 
de drie graden van heerlijkheid ge- 
noemd, hoewel het ook een toestand 
zonder heerlijkheid omvat. Het opgete- 
kende verslag van dit visioen wordt he- 
den ten dage geïdentificeerd als LV 76 en 
vermeldt een prachtige geestelijke mani- 
festatie die Joseph Smith en Oliver Cow- 
dery werd gegeven terwijl zij bezig waren 
met het vertalen van de Bijbel. De broe- 
ders waren met het werk gevorderd tot 
het vijfde hoofdstuk van Johannes, op 
welk punt hen het hemelse visioen werd 
gegeven. Hun verslag van de gebeurte- 
nis, zoals gegeven in LV 76:15-19, luidt 
als volgt: 

„Want terwijl wij het vertaalwerk ver- 
richtten, dat de Here ons had opgedra- 
gen, kwamen wij aan het negen en twin- 
tigste vers van het vijfde hoofdstuk van 
Johannes, dat ons als volgt werd 
gegeven: 
Sprekende van de opstanding der doden, 




Abraham 



Henocli 



aangaande hen, die de stem van de Zoon 
des Mensen zullen horen, en zullen 
voortkomen — 

Zij, die het goede hebben gedaan, in de 
opstanding der rechtvaardigen, en zij, 
die het kwade hebben gedaan, in de op- 
standing der onrechtvaardigen — 
Dit nu wekte onze verwondering op, 
want het werd ons door de Geest 
gegeven. 

En terwijl wij over deze dingen peinsden, 
raakte de Here de ogen van ons verstand 
aan, en ze werden geopend, en de heer- 
lijkheid des Heren omstraalde ons." 
De openbaring die daarop volgde is een 
van de meest besproken onderwerpen 
door de leden van de kerk en vormt een 
van de grote visioenen van deze bede- 
ling. In de literatuur van de kerk wordt 
het zelfs dikwijls aangeduid als „het vi- 
sioen." De profeet noemde het „een af- 
schrift van de verslagen der eeuwige we- 
reld." {Leringen, blz. 12.) Het is opmer- 
kenswaardig dat de achtergrond van de- 
ze openbaring Joseph Smiths vertaling 
van de Bijbel was. 

De celestiale orde van het huwelijk: Nog 
een veelbetekendend punt van het her- 
stelde evangelie dat regelrecht verband 
schijnt te houden met de Bijbel, is de 
leerstelling van het celestiale huwelijk. 
Het is een goedgestaafd feit dat dit on- 
derwerp de profeet Joseph bekend was 
enkele jaren voordat het op schrift werd 



33 



gesteld in de vorm die nu bekendstaat als 
LV 132. Verschillende van de eerste le- 
den van de kerk hebben getuigd dat zij 
reeds in 1831 of 1832 de profeet over dit 
onderwerp hoorden spreken. Daar dit 
dezelfde periode is waarin de profeet be- 
zig was met het vertalen van Genesis, en 
daar de eerste verzen van de openbaring 
over het huwelijk spreken over de vraag 
die de profeet de Heer had gesteld over 
Abraham, Isaak en Jakob, lijkt het aan- 
nemelijk dat de openbaring over het ce- 
lestiale huwelijk verband hield met Jo- 
seph Smiths vertaling van de Bijbel. 

Joseph Smith zei over de 
Bijbel dat men „Gods eigen 
handschrift (kan) zien in het 
Heilige Boek. En hij die het 

meeste leest, zal er het 

meeste van houden, en hij, 

die ermede bekend is, zal die 

hand steeds weer 

terugvinden, waar die te 

. vinden is." 

Aldus zien wij dat verschillende belang- 
rijke leerstellingen die in deze bedeling 
werden geopenbaard onafscheidelijk 
verbonden zijn met Joseph Smiths verta- 
ling van de Bijbel. Weinig onderwerpen 
zijn in het evangelie meer prominent dan 
de leeftijd van verantwoordelijkheid, het 
bouwen van Zion, Adams rol in het 
evangelieplan, de graden van heerlijk- 
heid en de leerstelling van het celestiale 
huwelijk. 

Het is waarschijnlijk dat ook andere be- 
langrijke punten aan de profeet werden 
geopenbaard in verband met zijn werk 
van het vertalen van de Bijbel. Er is enig 
bewijs dat veel van hetgeen de profeet 
wist over de patriarchen, raden en kerke- 
lijke organisaties vanouds en andere on- 



derwerpen in verband met dit werk, aan 
hem werd geopenbaard. 
Het werkelijke produkt van Joseph 
Smiths werk met de Bijbel is dus niet 
slechts het manuscript dat de JST vormt, 
maar ook de vele openbaringen en gees- 
telijke ervaringen die de profeet ontving 
ten gevolge van deze arbeid. Zowel het 
manuscript van de JST als de bijkomen- 
de openbaringen zijn belangrijk, maar 
van deze beide schijnt het grote aantal 
leerstellige openbaringen het meest be- 
langrijk te zijn. Deze hebben onze kennis 
en ons begrip vergroot aangaande onder 
andere het priesterschap, de opstanding, 
het voorsterfelijk bestaan en de bedie- 
ningen van Jezus, Adam, Henoch, Mel- 
chizedek, Abraham, Paulus, Petrus en 
Johannes de Doper. Men kan nauwe- 
lijks een helder beeld hebben van het 
verslag in de Bijbel zonder deze 
openbaringen. 

De Bijbel heeft, zonder enige twijfel, een 
absoluut noodzakelijke rol gespeeld bij 
de herstelling van het evangelie. D 



Robert J. Matthews, professor in de oude 
Schriftuur aan de Brigham Young 
Universiteit, is lid van het kerkelijk 
correlatiecomité. 



Elia 



Mozes 




34 



De vertaling van 
Joseph Smith (JST) 




In juni 1830 begon de profeet Joseph Smith aan een herziening of vertaling van 
de King James-versie van de Bijbel. Dit werk was hem door de Heer opgedra- 
gen en hij beschouwde het „als een onderdeel van zijn roeping" als profeet. 
Hoewel het werk tegen juli 1833 grotendeels afwas, ging hij bij het persklaar 
maken van het manuscript door met het aanbrengen van wijzigingen. Dit 
bleef hij doen tot aan zijn dood in 1844. Eet is dus mogelijk dat er nog meer 
wijzigingen zouden zijn aangebracht als hij in leven was gebleven om het 
gehele werk uit te geven. Enkele delen van deze vertaling werden tijdens zijn 
leven nog uitgegeven. 

Het vertaalproces was een leerzame ervaring voor de profeet en verscheidene 
afdelingen van de Leer en Verbonden (alsmede andere openbaringen die geen 
deel uitmaken van dit boekwerk) werden als gevolg van dit werk ontvangen 
(zoals LV 76, 77 en 91). Er werden ook bepaalde instructies met betrekking tot 
het vertaalwerk gegeven in LV 37:1; 45:60,61; 76:15-18; 90:13; 94:10; 104:58 
en 124:89. Het Boek van Mozes en het vierentwintigste hoofdstuk van 
Matteüs (Joseph Smith 1) uit de Parel van Grote Waarde zijn letterlijke 
passages uit de JST. Vele aanhalingen uit de JST zijn ook gegeven als voetno- 
ten in de King James-versie die het woordenboek vergezelt dat aanleiding gaf 
tot dit artikel. Tot op zekere hoogte helpt de JST bij het herstellen van de 
duidelijke en waardevolle dingen die uit de Bijbel verloren zijn gegaan (zie 1 
Nephi 13 en 14). 

Hoewel het niet de officiële Bijbel is van De Kerk van Jezus Christus van de 
Heiligen der Laatste Dagen, biedt de JST veel belangwekkende inzichten en 
vormt niet alleen een hulpmiddel van onschatbare waarde bij het vertolken en 
begrijpen van de Bijbel, maar is tevens een uiterst vruchtbare bron van nuttige 
inlichtingen voor degeen die de Schriften bestudeert en een getuigenis van de 
goddelijke roeping en bediening van de profeet Joseph Smith. D 



35 



Het 

onveranderlijke 

evangelie 

van twee 

Testamenten 



Door Ellis T. Rasmussen 



Sommige mensen geloven dat het Oude 
Testament een aantal nogal primitieve 
theologische denkbeelden en ethische 
begrippen onderwijst en ten toon 
spreidt. Dit komt degenen die geloven 
dat de godsdiensten slechts maatschap- 
pelijke instellingen zijn die door de eeu- 
wen heen geleidelijk zijn ontstaan, mis- 
schien logisch voor. Maar voor hen die 
godsdienst beschouwen als geopenbaar- 
de theologie en een goddelijk stelsel van 
ethische begrippen, is een dergelijk oor- 
deel over het Oude Testament logisch 
noch aanvaardbaar. 
Er komen inderdaad „slechte voorbeel- 
den" voor onder de figuren van het Ou- 
de Testament en zij worden daar gevon- 
den eenvoudig omdat er altijd zowel 
slechte als goede mensen en gebruiken 
zijn geweest. De schrijvers van de bijbel- 
se kronieken zijn zeker zeer openhartig 
geweest over de mensen en hun hande- 
lingen, goed en slecht. Aan de ene kant 
zijn deze verhalen ontmoedigend, maar 
aan de andere kant verhogen zij de ge- 
loofwaardigheid van de Bijbel. De 
schrijvers gaven getrouw zowel de on- 
deugden als de deugden weer van helden 
en schurken, onderdanen en koningen, 
profeten en priesters. 
In sommige gevallen waarbij boze daden 
werden verricht wezen de schrijvers met- 




lis, 'tóa...,. 






een op de kwalijke gevolgen van het niet 
volgen van het voorbeeld van de Heer. 
In andere gevallen werden de gevolgen 
en reacties pas maanden of zelfs jaren 
later opgetekend, naarmate deze aan 
den dag kwamen. Vanzelfsprekend ont- 
dekken zij die slechts hier en daar wat 
lezen niet altijd dergelijke verhalen van 
de uitgestelde gevolgen. Zelfs onderzoe- 
kers blijven soms in gebreke bij het ver- 
der kijken om na te gaan of het eind van 
het verhaal later wordt verteld, ten ge- 
volge waarvan zij misschien tot een ver- 
keerd inzicht zullen komen. 
Het verhaal van het gewelddadige optre- 
den van Levi en Simeon, zoals dat wordt 
verteld in Genesis 34:25-31, is een geval 
waarbij de reacties van verantwoordelij- 
ke mensen pas later volledig bekend 
worden gemaakt. Sommige van Jakobs 
gevoelens over hun handelingen en enige 
aanwijzingen omtrent de eeuwige gevol- 



36 



gen ervan worden de lezer vele hoofd- 
stukken later gegeven in Genesis 49:5-7. 
Er zijn natuurlijk ook gevallen waarbij 
de schrijvers van de verhalen helemaal 
niet terugkeerden om te vertellen van de 
resultaten of gevolgen van gewelddadige 
of onzedelijke handelingen. Helaas heb- 
ben sommige lezers verondersteld dat 
hun zwijgen op dit punt op gedogen 
wijst. Dit is een verkeerde veronderstel- 
ling. Er is geen enkele reden om te den- 
ken dat onzedelijkheid van wie dan ook 
ooit werd goedgekeurd of getolereerd 
door de profeten van de Heer. Wetten 
tegen een dergelijk kwaad bestonden al 
vóór de tien geboden, worden daarin 
nogeens onderstreept, worden door Je- 
zus Christus opnieuw benadrukt, en 
worden herhaald in de hedendaagse 
profetie. 

Het is evenzeer onaanvaardbaar om te 
veronderstellen dat omdat iemand een 
koning of een priester was, hij de wet 
kon tarten. Verhalen van gebeurtenissen 
in het leven van Mozes, David en vele 
van de koningen en priesters in het latere 
Israël spreken dit tegen. Het is zelfs nog 
ernstiger wanneer leiders zondigen; 
zoals Natan tegen David zei, „. . . door 
deze daad (hebt gij) de vijanden des He- 
ren zeer . . . doen lasteren . . ." (2 Samuël 
12:14.) Met andere woorden, anderen 
kijken cynisch naar en spreken spottend 
over een instelling die goedheid voor- 
wendt wanneer de leiders ervan een 
voorbeeld zijn van het kwaad. 
Toegegeven dat een aantal prominente 
figuren uit het Oude Testament overtre- 
ders waren, waaronder de dochters van 
Lot, Juda, Ruben, Simeon, Levi, Sim- 
son, Ahaz, Uzzia en anderen. De per- 
soonlijke gevolgen met betrekking tot 
slechts enkelen van hen worden ons be- 
kendgemaakt, maar die kennis is ge- 
woonlijk ontnuchterend. Er is alle reden 
om te geloven dat dit bij alle gevallen zo 
zou zijn als de bijzonderheden ons be- 



kend waren. Er is tenslotte „geen wet . . . 
onherroepelijk in de hemel vastgelegd" 
die betrekking heeft op al dit soort za- 
ken. (Zie LV 130:20.) 
Aan de positieve kant worden er grootse 
beginselen onderwezen in het Oude Tes- 
tament. Tijdens zijn aardse zending wer- 
den zij door Christus gebruikt, aange- 
haald en aanbevolen om door anderen 
in praktijk te worden gebracht. 
Denk bijvoorbeeld aan die keer dat Hij 
net een aantal Sadduceeën had berispt 
omdat zij de Schriften niet kenden. (Zie 
Marcus 12:24.) 

Toen kwam er nog iemand naar voren 
om Hem een vraag te stellen, zoge- 
naamd om erachter te komen hoe Chris- 
tus de waarde bepaalde van de leringen 



mw 






m 




in de wet van Mozes, die vroeg, „welk 
gebod is de eerste van alle? 
Jezus antwoordde: Het eerste is: Hoor, 
Israël, onze God, de Here is één, 
En gij zult de Here, uw God, liefhebben 
uit geheel uw hart en uit geheel uw ziel en 
uit geheel uw verstand en uit geheel uw 
kracht. 

Het tweede is dit: Gij zult uw naaste 
liefhebben als uzelf. Een ander gebod, 
groter dan deze, bestaat niet. 
En de schriftgeleerde zeide tot Hem: In- 
derdaad, Meester, naar waarheid hebt 
Gij gezegd, dat Hij één is en dat er geen 
ander is dan Hij. 

En Hem lief te hebben uit geheel het hart 
en uit geheel het verstand en uit geheel de 
kracht, en de naaste lief te hebben als 
zichzelf, is meer dan alle brandoffers en 
slachtoffers." (Marcus 12:28-33.) 
Die grote beginselen van liefde werden 
gevonden in het Oude Testament. Zij 
worden in onze versies, in Deuterono- 
mium 6:4 en 5 en Leviticus 19:18 nog 
steeds gevonden. Zie voor verdere uit- 
spraken van deze beginselen Deuterono- 
mium 10:12 en 30:6, en Leviticus 19:34. 
Paulus legde ook aan zijn Romeinse 
broeders uit dat één beginsel alle andere 
omvatte: 

„Zijt niemand iets schuldig dan elkander 
lief te hebben; want wie de ander lief- 
heeft, heeft de wet vervuld. 
Want de geboden: gij zult niet echtbre- 
ken, gij zult niet doodslaan, gij zult niet 
stelen, gij zult niet begeren en welk ander 
gebod er ook zij, worden samengevat in 
dit woord: gij zult uw naaste liefhebben 
als uzelf. 

De liefde doet de naaste geen kwaad; 
daarom is de liefde de vervulling der 
wet." (Romeinen 13:8-10.) 
Tegen zijn bekeerlingen te Galatië her- 
haalde Paulus hetgeen Jezus had gezegd: 
„. . . dient elkander door de liefde. Want 
de gehele wet is in één woord vervuld, in 
dit: gij zult uw naaste liefhebben als 



uzelf." (Galaten 5:13,14.) Jakobus 
noemde dit beginsel uit het Oude Testa- 
ment „de koninklijke wet." (Jakobus 
2:8.) 

In deze tijden zijn er echter veel mensen 
die deze geboden beschouwen als lerin- 
gen uit het Nieuwe Testament. Zij zijn 
inderdaad door Jezus Christus in 't leven 
geroepen. Maar veel eerder dan in de tijd 
van het Nieuwe Testament, zoals wij zul- 
len zien. 

Aan de andere kant krijgt het Oude Tes- 
tament weleens de eer - of de schuld - die 
het niet verdient. Lezers komen de uit- 
spraak van Jezus tegen, „Gij hebt ge- 
hoord dat er gezegd is: Gij zult uw naas- 
te liefhebben en uw vijand zult gij haten. 
Maar Ik zeg u: Hebt uw vijanden 
lief. . ." (Matteüs 5:43,44.) Door som- 
migen wordt verondersteld dat „uw 
vijand zult gij haten" een aanhaling is uit 
het Oude Testament. Dat is het echter 
niet; het is eenvoudig een van die „mon- 
delinge tradities" die Jezus van tijd tot 
tijd aan de kaak stelde. 
Trouwens, in de openbaringen van de 
Heer aan Mozes vindt men vermaningen 
met betrekking tot het goed doen aan en 
ten behoeve van zijn vijand: 
„Wanneer gij een verdwaald rund of ezel 
van uw vijand aantreft, zult gij ze hem 
zeker terugbrengen. Wanneer gij de ezel 
van uw vijand onder zijn last ziet bezwij- 
ken, zult gij dit niet onverschillig aan 
hem overlaten. Gij zult hem zeker hel- 
pen met afladen." (Exodus 23:4,5.) 
Aangezien Jezus zelf zei, „Ik ben het, 
Die de wet gaf' (3 Nephi 15:5), is het niet 
verwonderlijk dat er leringen van het 
evangelie in het Oude Testament staan. 
Bovendien zijn er goede voorbeelden te 
vinden in het leven van veel van de figu- 
ren uit het Oude Testament, zoals Isaak, 
Jozef, Jetro, Jozua, Debora, Rut, Boaz, 
Hanna, Samuël, Jonatan en Natan. 
Tenslotte was de Heer van het Nieuwe 
Testament de Here (geschreven met 



38 



hoofdletters) van het Oude Testament, 
zoals de Schriften betuigen: 
„Ik, Ik ben de Here, en buiten Mij is er 
geen Verlosser. 

Ik de Here, uw Heilige, de Schepper van 
Israël, uw Koning. 

Ik, Ik ben het, die uw overtredingen uit- 
delg om Mijnentwil en Ik gedenk uw 
zonden niet." (Jesaja 43:11,15,25.) 
„En Ik zal uw verdrukkers hun eigen 
vlees doen eten, en van hun eigen bloed 
zullen zij dronken worden als van jonge 
wijn; en al het levende zal weten, dat Ik, 
de Here, uw Redder ben, en uw Verlos- 
ser, de Machtige Jakobs." (Jesaja 49:26.) 
Niet alleen zijn de titels Verlosser, Red- 
der, Koning en Schepper veelbetekenend 
in dergelijke openbaringen, maar de 
plaatsvervangende titel Here is eveneens 
betekenisvol. Sommige lezers van het 
Oude Testament zijn daarvan op de 
hoogte, maar velen zijn dat niet. Wan- 
neer Here in het Oude Testament met 
hoofdletters wordt geschreven, dan is 
dat de vervanging voor de goddelijke 
naam Jehova. De Israëlieten gebruikten 
weleens vervangende namen ten einde 
het uitspreken van de heilige naam Jeho- 
va te voorkomen. Een algemeen ge- 
bruikte vervangnaam is Adonai, wat 
„mijn Heer" betekent. Een andere was 
Ha-Shem, wat „De Naam" betekent. En 
er zijn vele andere namen die in het Oude 
Testament worden gebruikt om de Hei- 
land aan te duiden. Een interessante 
naam was Ha-Qadosh, Baruch Hu, ofwel 
„De Heilige, Hij zij gezegend." Nog een 
naam die in de tijd van Christus werd 
gebruikt was Meimra, hetgeen „Bood- 
schap" of „woord" betekent. Aldus, be- 
gon Johannes de Geliefde zijn evangelie 
naar goed Aramees gebruik als volgt: 
„In den beginne was Meimra en Meimra 
was bij God . . ." 

Sommigen onderscheiden met het intel- 
lect dat Jezus Ik Ben is (Johannes 8:58; 
vergelijk Exodus 3:14,15), en dat Ik ben 



(in het Hebreeuws Eheyeh) grammati- 
caal gelijkvormig is aan Hij is (in het 
Hebreeuws Yiheyeh), wat weer in ver- 
band staat met Yehovah. Aldus was Je- 
zus Jehova geboren in het vlees. Maar 
werkelijke verzekering ontvangen alleen 
zij die het getuigenis krijgen van de heili- 
ge Geest, want zoals Paulus zei: „. . .nie- 
mand kan zeggen: Jezus is Here, dan 
door de Heilige Geest." (1 Korintiërs 
12:3; cursivering toegevoegd.) 
Eens dat wij hiervan kunnen getuigen, 
zijn wij in staat het evangelie van liefde 
dat alle bedelingen gemeen hebben te 
waarderen. Wij behoren de leringen uit 
beide het Oude en het Nieuwe Testa- 
ment aangaande de bron van de liefde, 
onze liefde voor God en onze liefde voor 
elkander zorgvuldig te overwegen. 
Zoals Jezus zei, „Een nieuw gebod geef 
Ik u, dat gij elkander liefhebt; gelijk Ik u 
liefgehad heb, dat gij ook elkander lief- 
hebt." (Johannes 13:34. Zie ook Jeremia 
31:3; 1 Johannes 4:7,19; Hosea 11:1; 
Psalmen 18:1,2; 97:10; Deuteronomium 
11:1; Johannes 14:15.) 
Moge het gebed van Paulus ten behoeve 
van zijn heiligen te Efeze ook voor ons 
worden verhoord: 

„Om die reden buig ik mijn knieën voor 
de Vader . . . 

Opdat Christus door het geloof in uw 
harten woning make. 
Geworteld en gegrond in de liefde, zult 
gij dan, samen met alle heiligen, in staat 
zijn te vatten, hoe groot de breedte en 
lengte en hoogte en diepte is, 
En te kennen de liefde van Christus, die 
de kennis te boven gaat, opdat gij ver- 
vuld wordt tot alle volheid Gods." (Efe- 
ziërs 3:14,17-19.) 

D 



Dr. Rasmussen, voorzitter aan de faculteit voor 
oude Schriftuur aan de Brigham Young 
Universiteit, is lid van het kerkelijk 
correlatiecomité voor volwassenen. 



39 




A. Een doopdienst voor nieuwe gemeenteleden in Ghana wordt aan het strand gehouden. 



NIGERIA EN GHANA 

Een wonder gaat de boodschappers voor 

Door Janet Brigham 



Jarenlang zijn de brieven ontvangen 
door het hoofdkantoor van de kerk in 
Salt Lake City - eenvoudige, welspre- 
kende verzoeken om „heilige boeken," 
om inlichtingen over de kerk. 
Wat voor poststempels stonden er op die 
brieven? Nigeria en Ghana in West- 
Afrika. En wie hadden die brieven ge- 
schreven? Eenvoudige christelijke Afri- 
kanen die op zoek waren naar de waar- 
heid en weinig wisten van de kerk, behal- 
ve dat zij meer wilden weten. Naarmate 
er literatuur aan groepen en personen in 
steden en dorpen werd gestuurd, baden 
deze zwarte Afrikanen dat de dag spoe- 
dig mocht komen dat het evangelie hen 
uit de mond van zendelingen zou wor- 
den gegeven. 



Die dag kwam tenslotte in november 
1978 toen twee echtparen, broeder en 
zuster Rendell N. Mabey en broeder en 
zuster Edwin Q. Cannon jr., werden uit- 
gestuurd als bijzondere vertegenwoordi- 
gers van de internationale zending aan 
Nigeria en Ghana. Sindsdien zijn er 1 700 
bekeerlingen gedoopt. 
Zuster Rachel Mabey stelt eenvoudig: 
„De Heer heeft de mensen voorbereid. 
Het is een ernstig volk met een geestelij- 
ke instelling." De Mabeys en de Can- 
nons schreven het grote aantal dopelin- 
gen niet toe aan hun prediken van het 
evangelie. Zij zien duidelijk de hand van 
de Heer in het leven van de bekeerlingen. 
Het verhaal gaat minstens achttien jaar 
terug. 



40 



Het was in die tijd dat wat broeder Can- 
non „een zeldzaam fenomeen" noemt 
zich begon voor te doen in West-Afrika. 
De Afrikanen daar kregen te horen over 
de kerk van andere Afrikanen die in de 
Verenigde Staten hadden gestudeerd. Zij 
kregen een aantal brochures voor het 
zendingswerk in handen. Niemand weet 
hoe die brochures in de jaren vijftig in 
Afrika terecht kwamen - maar de uit- 
werking ervan was opmerkelijk. Velen 
die ze lazen herkenden de waarheid. 
Daarna - onafhankelijk van elkaar en 
zonder te weten wat de anderen deden - 
stichtten verschillende groepen zwarte 
Afrikanen in zowel Nigeria als Ghana 
hun eigen godsdienstige organisatie ge- 
vormd naar de kerk. Problemen met het 
verkrijgen van visa verhinderde echter 
dat er vertegenwoordigers werden ge- 
stuurd om de kerk officieel te vestigen. 
De groepen bouwden kerkgebouwtjes 
en vergaderden regelmatig. Voor zover 
zij dit konden nagaan uit de literatuur 
die zij ontvingen, namen zij de organisa- 
tie, leerstellingen, liederen en benamin- 
gen over van de kerk. Af en toe hadden 
zij contact met leden van de kerk die 
Afrika bezochten. 

De Afrikanen deden zelfs zendingswerk. 
Er was een man die na een roerende 
geestelijke ervaring „door de Geest werd 
gedwongen om van de ene straat naar de 
andere te gaan . . . ten einde de bood- 
schap over te brengen die wij in het Boek 
van Mormon en de brochures hadden 
gelezen." Ondanks enige „vervolgin- 
gen" en het feit dat zij soms werden aan- 
geduid als een „antichristelijke organi- 
satie," waren de „zendelingen" 
onverschrokken. 

„Wij hielden met ons prediken van het 
woord vol en kregen er die dag veertig 
mensen bij, wat zelfs de bewondering 
van de aanwezige moslems afdwong," 
vertelt een man. De „zendelingen" en 
hun veertig bekeerlingen kwamen bij el- 



kaar om de leringen van de kerk te be- 
studeren. Later „kregen zij er nog zeven- 
en veertig leden bij." 
Dergelijke ervaringen waren niet onge- 
woon onder de onafhankelijke groepen 
die, zonder enig gezag, zich hadden 
georganiseerd in naam van de kerk. 
Groepen in Nigeria en Ghana registreer- 
den zich in hun respectievelijke landen - 
wederom zonder kennis van elkanders 
activiteiten - onder de naam De Kerk 
van Jezus Christus van de Heiligen der 
Laatste Dagen. 

De leiders van de kerk in Salt Lake City 
werden zich bewust van de toewijding 
van deze Afrikanen. Dikwijls ontvingen 
zij brieven zoals deze: „Alstublieft, er is 
mij veel verteld over hoe deze geweldige 
herstelde kerk werd gesticht door onze 
grote profeet Joseph Smith, maar ik ver- 
lang er erg naar nog meer te weten door 
er boeken over te lezen. Ik heb gehoord 
van het Boek van Mormon, waarin goed 
nieuws wordt geopenbaard en dat aan 
Joseph Smith werd gegeven op de berg 
Cumorah. Ik zal heel blij zijn als mij een 
exemplaar van het Boek van Mormon 
wordt gestuurd ten einde meer te lezen 
over de woorden die de Heer gaf . . . 
Wat ik wil is een zuivere mormoon wor- 
den en dus wil ik meer weten over Mor- 
mon, want ... het beetje dat onze ouder- 
lingen en predikanten hier in Ghana ons 
hebben verteld hebben mij doen begrij- 
pen dat ik ergens het licht kan zien. 
Het maakt mij altijd gelukkig wanneer 
er liederen en lofzangen in de kerkdien- 
sten worden gezongen zoals „Komt, 
Heil'gen, komt" en „Kom, o Gij Vrede- 
vorst." Ik wou dat ik daar bij u kon zijn 
om te delen in deze vreugdevolle dingen 
die u in Christus geniet." Die brief werd 
geschreven door Emmanuel Bondah, 
die toen op school in de „zesde klas" zat. 
Iemand anders schreef: „Wij hier zijn de 
ware zonen van God, maar kleur maakt 
niets uit in de dienst van onze hemelse 



41 




B. Drie leden van de Zustershulpvereniging 
van de gemeente Aboh in Nigeria. 



Vader en Christus. De Geest van God 
roept ons om ons vast te houden aan 
deze kerk en niets kan ons erbuiten 
houden." 

De schrijver van die brief, Anthony 
Obinna, zou later de eerste zwarte West- 
Afrikaan zijn om te worden gedoopt en 
geroepen als gemeentepresident. Maar 
alvorens dit plaats kon vinden, moesten 
er moeilijkheden met visa worden opge- 
lost. En de Biafraanse oorlog maakte de 
toestand nog ingewikkelder. 
In augustus 1978 werden broeder Can- 
non en Merrill Bateman van de Brigham 
Young Universiteit door de kerk uitge- 
stuurd voor een rondreis langs de ver- 
schillende groepen in Nigeria en Ghana 
om de feiten te onderzoeken. Zij keerden 
terug met de aanbeveling dat de kerk 
officiële stappen zou nemen. Binnen en- 
kele maanden werden broeder Cannon 



C. Het gemeentepresidium te Aboh, Nigeria: 
president Anthony Obinna in het midden met 
zijn broers en tevens raadgevers, links Fran- 
cis Obinna, rechts Raymon Obinna. 




en zijn vrouw, Janath, samen met de 
Mabeys geroepen als bijzondere verte- 
genwoordigers in West-Afrika. 
De twee echtparen zochten onmiddellijk 
degenen op die al van de kerk wisten. Zij 
werden geestdriftig en hartelijk ontvan- 
gen door zowel degenen die niet als dege- 
nen die wel van de kerk wisten. Zij kon- 
den vrijelijk vertellen over het evangelie, 
en dikwijls in het Engels. 
„Een van de grootste factoren bij het 
succes van de kerk is het gebruik van de 
Engelse taal," zegt zuster Cannon. „En 
de mensen willen de literatuur. Zij hon- 
geren naar de brochures en andere lees- 
stof. Jarenlang hebben katholieke en 
protestantse zendelingen uit Engeland 
zendingen, ziekenhuizen en scholen in 
stand gehouden in Ghana en Nigeria, 
hetgeen verklaart waarom vele van de 
mensen daar christenen zijn en het En- 
gels kunnen lezen en schrijven. 
„Wij hebben waardering voor de traditie 
van respect voor de christelijke zendelin- 
gen," voegt zuster Cannon eraan toe. 
Broeder Mabey vertelt hoe hij de Afrika- 
nen begroette die de kerk onderzochten: 
„Wij brachten de groeten over van presi- 
dent Kimball en vertelden hen dat wij 
hen niets te brengen hadden dan zalig- 
heid en het eeuwige leven. Wij hadden 
geen enkele belofte voor hen met betrek- 
king tot wereldse goederen. 
Wij zeiden te beseffen dat de wereld vol 
was met mensen van allerlei kleuren en 
allerlei achtergronden, en dat wij onszelf 
niet beschouwden als blanken onder 
hen. Wij zeiden dat wij allemaal kinde- 
ren van God zijn die door onze hemelse 
Vader worden bemind." 
Zij die alreeds iets van de kerk wisten 
waren nederig en gewillig wat betreft het 
opgeven van hun kruisen en collecte- 
schalen naarmate dat zij meer leerden 
over de gebruiken en leerstellingen van 
de kerk. Zij offerden zowel tijd als geld. 
Op vele plaatsen waar de vertegenwoor- 



42 



digers doopten, zorgden de leden voor 
kerkgebouwen die reeds door de Afrika- 
nen waren gebouwd. In een van zijn eer- 
ste rapporten beschrijft broeder Mabey 
het gebouw te Sekondi in Ghana: 
„Een kerkgebouw bestaande uit gepleis- 
terde muren, een dak van gegolfd ijzer en 
een betonnen vloer . . . een oude piano, 
een aantal houten banken en verschillen- 
de platen van de kerk, zal worden aange- 
houden. Er is een interessant verweerd 
bordje aan de buitenkant van het ge- 
bouwtje dat zegt: ,De Kerk van Jezus 
Christus van de Heiligen der Laatste Da- 
gen. Gesticht in 1830.'" Het bordje en 
het gebouw zijn sindsdien keurig op- 
nieuw in de verf gezet. 
In het dorp Ikot Eyo, in Nigeria, werd er 
een kerkvergadering gehouden in een ge- 
bouw met het opschrift ,,De Kerk van 
Jezus Christus van de Heiligen der Laat- 
ste Dagen N.V." Er kunnen ongeveer 
250 mensen in dat gebouw. Op de dag 
dat de gemeente werd georganiseerd 
werd de avondmaalsdienst bijgewoond 
door 218 mensen. „Het kerkgebouw 
werd gebouwd door en is het eigendom 
van de mensen die nu als leden zijn be- 
vestigd," vertelt broeder Mabey. 



Een aantal van dergelijke gebouwen 
werden maanden geleden al te klein. 
Sommige uitpuilende gemeenten verga- 
derden buiten hun kerkgebouw. 
De Mabeys en de Cannons hadden niet 
voldoende tijd om te vergaderen met al 
de groepen die in naam van de kerk dien- 
sten hebben gehouden. In een geval ver- 
gaderden zij wel met de „moederkerk" 
maar waren niet in de gelegenheid om 
met de vijftien gemeenten die daaruit 
waren voortgesproten te vergaderen. 
Zulk werk is overgelaten aan latere 
vertegenwoordigers. 
Zuster Cannon legt uit hoe deze mensen, 
volkomen te goeder trouw, trachtten de 
kerk te volgen voordat de vertegenwoor- 
digers kwamen: 

„Wat deze gemeenten deden was de 
naam van de kerk te gebruiken. De 
meesten wisten wel iets over de leer van 
de kerk, maar zij kenden de kerkelijke 
gebruiken niet. Dus brachten zij het type 
dienst naar het patroon van de pinkster- 
beweging over op hetgeen zij deden in de 
kerk. 

Zij hadden collecteschalen, veel hallelu- 
jageroep, zingen, dansen en trommels. 
Dit gaf hen natuurlijk veel voldoening. 



D. Een groepje leden van de gemeente Aboh Nigeria. 




43 



En voor ons om eenvoudig naar binnen 
te stappen en te zeggen, ,Dat kunnen 
jullie niet doen,' was niet voldoende. Wij 
moesten hen vertellen wat zij wel konden 
doen en hoe de diensten van de kerk zijn. 
En daar is tijd voor nodig. Zij moeten 
niet alleen veel nieuwe dingen leren, 
maar ook veel oude dingen afleren." 
Hoewel veel van dergelijke gebruiken 
niet algemeen voorkomen in de kerk- 
diensten, legt broeder Cannon uit, „Veel 
van die gebruiken zijn niet tegen de leer- 
stellingen van de kerk. Een van hun ge- 
woonten, bijvoorbeeld, is dat wanneer je 
met hen spreekt en je zegt iets waar zij 
het roerend mee eens zijn, zij gelijk een 
volmondig ,Amen' laten klinken." 
Het kerkgebouw dat de vertegenwoordi- 
gers aantroffen te Cape Coast in Ghana, 
bevatte een levensgroot beeld van de en- 
gel Moroni, „kennelijk gemaakt door de 
een of andere plaatselijke beeldhouwer 
aan de hand van de illustratie van Moro- 
ni op de omslag van de paperbackuitga- 
ve van het Boek van Mormon, met de 
trompet aan zijn lippen en staande op 
een bol," vertelt broeder Cannon. Een 
zwartgebonden Bijbel en een paperback 
Boek van Mormon waren op het spreek- 



gestoelte geschilderd. Daarnaast hingen 
er schilderijen van Joseph Smith en een 
plaat van het Tabernakelkoor. 
Gehoorgevend aan slechts een idee, na- 
men de vertegenwoordigers op een keer 
een taxi naar een dorp ruim dertig kilo- 
meter verwijderd van de Nigeriaanse 
stad Owerri, op zoek naar een man die 
volgens zeggen belangstelling had voor 
de kerk. Op aanwijzing van een dorpe- 
ling reden zij regelrecht naar „een klein 
gebouwtje met een bordje aan de voor- 
kant waarop vermeld werd ,H.L.D. Ni- 
geriaanse Zending.'" „We wisten dat we 
er waren," zegt broeder Cannon. De 
stichters van die „zending" zijn later 
gedoopt. 

Zij die lid zijn geworden van de kerk 
laten de namaakkerk die zij eerder had- 
den opgericht achter zich. De „predi- 
kanten" en „apostelen" voorheen die- 
nen nu als districts- en gemeentepresi- 
diums; verscheidene vrouwen die eens 
„profetessen" werden genoemd, zijn nu 
ZHV-presidenten. 

Deze nieuwe Afrikaanse heiligen zijn 
geen verwesterd volk, ook al spreken 
veel van hen Engels en dragen zij wester- 
se kleding. De meesten van hen leiden 



E. Een avondmaalsvergadering in de gemeente Sekondi Ghana 




44 



een veel eenvoudiger bestaan dan dat 
van de mensen in de westerse culturen, 
maar zij zijn trots op hun zindelijkheid, 
persoonlijke verzorging en gastvrijheid. 
Hoewel er nu moderne snelwegen wor- 
den gebouwd in Afrika, zijn de andere 
wegen dikwijls „beroerd." De afstanden 
zijn groot en het reizen met de auto is 
vaak moeilijk en onzeker. Het is soms 
een probleem om aan benzine te komen. 
Slechte verbindingen vertragen ook het 
werk van de kerk. Telefoonverbindingen 
ontbreken vaak of zijn ontoereikend. De 
telegramdienst is onbetrouwbaar. Brie- 
ven van de ene staat naar de andere kun- 
nen er weken over doen. 
Dergelijke omstandigheden vormen ze- 
ker een uitdaging, maar de vertegen- 
woordigers en de leden doen hun best ze 
niet een belemmering te laten worden. 
Daarnaast weegt de vriendelijkheid van 
de mensen in Ghana en Nigeria tegen 
andere moeilijkheden op. In hun rap- 
port aan president Kimball schreven de 
echtparen: „Wij zijn nog nooit ergens in 
de wereld geweest waar het zo gemakke- 
lijk is om een vreemdeling te betrekken 
in een gesprek over het evangelie - er zijn 
gelegenheden te over. Het is niet nodig 



om langs de deuren te gaan we hoeven 
alleen maar de brochure bij de hand te 
houden. Zelfs mensen die het druk heb- 
ben zijn bereid om op straat te blijven 
staan praten. Bouwarbeiders houden de 
brochure tijdenlang in hun hand. Als je 
er een uurtje later weer langs komt is het 
niet ongewoon om hen te zien lezen." 
(Ensign van mei 1979, blz. 106.) 

De leiders van de kerk uit Salt Lake City 
hebben de nieuwe leden in Nigeria en 
Ghana bezocht. Ouderling James E. 
Faust reisde erheen in februari 1979, en 
de presiderende bisschop, Victor L. 

Brown, was er in april 1979 om de stoffe- 
lijke behoeften van de nieuwe leden te 
bepalen. Ook John Cox, de regionale 
vertegenwoordiger uit Engeland, heeft 
Ghana bezocht. 

Alhoewel de West-Afrikaanse heiligen 
aan de andere kant van de wereld wo- 
nen, gezien vanuit het hoofdkwartier 
van de kerk, en maar net zijn begonnen 
deel te nemen aan programma's van de 
kerk zoals de Zustershulpvereniging, is 
hun geloof sterk. Voor hen is geloof ge- 
baseerd op de hoop van jaren, die nu 
wordt vervuld. □ 



Vermelding bij de foto's / Foto's door Rendell en Rachel Mabey. 



45 



DOEN! 



># X 



Door Robert L. Simpson 
Assistent van de Raad der Twaalf 




President Kimball heeft op zijn bureau 
een spreuk staan die iedereen meteen op- 
valt en luidt: „DOEN!" Bij deze 
geïnspireerde leider komt persoonlijk 
gerief op de tweede plaats. Alles wordt 
gedaan ten gerieve van de Heer. Het 
voorbeeld van zijn arbeid is legendarisch 
geworden en dient door ons te worden 
opgevolgd. 

Op een keer, toen ik tijdens de Tweede 
Wereldoorlog op een basis van de lucht- 
macht in Wyoming was gestationeerd, 
werd er in onze avondmaalsdienst be- 
kendgemaakt dat er de komende week 
een gemeenteconferentie zou zijn en dat 
de zendingspresident waarschijnlijk een 
van de algemene autoriteiten uit Salt La- 
ke City met zich mee zou brengen. De 
volgende zondag werden wij aan deze 



autoriteit voorgesteld, een man die geen 
van ons ooit tevoren had gezien. Het was 
broeder Spencer W. Kimball, het nieuw- 
ste lid van de Raad der Twaalf, die een 
van zijn eerste opdrachten uitvoerde. 
Zijn manier van doen was vriendelijk, 
zijn getuigenis zeker, maar hij sprak zijn 
bezorgdheid erover uit dat iemand als hij 
zo'n belangrijke roeping had gekregen. 
Daarna, met hernieuwd vertrouwen, zei 
hij ongeveer het volgende: „Broeders en 
zusters, ik weet niet precies waarom de 
Heer mij heeft geroepen, maar ik weet 
dat ik één talent te bieden heb. Mijn 
vader heeft mij geleerd te werken; en als 
de Heer een werker kan gebruiken, dan 
sta ik tot zijn beschikking." Ja, de Heer 
kon zeker een werker gebruiken! En Hij 
had een harde werker nodig die in een 



46 



zeer belangrijke tijd bereid zou zijn de 
hoogste verantwoordelijkheid op zich te 
nemen. 

Die tijd is er nu, en een profeet die weet 
wat werken is leidt de weg. Maar één 
ding is zeker - dit werk der laatste dagen 
vereist duizenden mensen die bereid zijn 
gelijke tred te houden met de profeet. 
Een profeet die helemaal alleen de weg 
aflegt, kan weinig meer doen dan de tijd 
bijhouden. Iedere bedeling heeft drin- 
gend behoefte gehad aan hardwerkende, 
bekwame discipelen. President Kimball 
roept het grootste leger harde werkers 
op in de geschiedenis van de kerk op 
aarde. 

Laten we, als uitgangspunt om gelijke 
tred te gaan houden met de profeet, de 
volgende drie doelstellingen in overwe- 
ging nemen: 

Ten eerste. Wij moeten beter op de 
hoogte zijn van de leer. 
Ten tweede. Wij moeten bereidwilliger 
zijn om eenvoudig te doen! 
Ten derde. Wij moeten ontvankelijker 
zijn voor de gaven van de Geest. 
Een groot leraar heeft eens gezegd: 
„Wie niet leest heeft niets voor op ie- 
mand die niet kan lezen." Ongeletterd- 
heid op het gebied van het evangelie is 
haast niet te verontschuldigen in deze 
tijd van verlichting en moderne onder- 
wijstechnieken - vooral niet van diege- 
nen onder ons die middels de doop een 
verbond met de Heer hebben gesloten en 
dat verbond iedere week met het avond- 
maal vernieuwen. 

Wat het tweede punt betreft, bereidwil- 
lig zijn, doet het me altijd goed met al de 
zendelingen over de gehele wereld te 
spreken. Zou het iemand ooit goed uit- 
komen in de bloei zijns levens zijn studie 
of opleiding twee jaar lang opzij te moe- 
ten zetten, vrienden, familie en persoon- 
lijke interesses achter te moeten laten en 
gehoor te moeten geven aan een oproep 
van de profeet? Economisch gunstig is 



het niet. Zielsbevredigend wel. En wan- 
neer je ergens in gelooft, zul je het doen! 
Ik zou nu een ogenblik willen stilstaan 
bij een avond die ik een paar weken gele- 
den op mijn reis door het gebied van de 
Stille Zuidzee meemaakte. De raad die 
men van een profeet ontvangt moet 
nooit lichtvaardig worden opgenomen. 
De ring Nukua'lofa Tonga volgde de 
raad van president Kimball op om in 
iedere wijk en gemeente een koor op te 
richten en dan buren uit te nodigen om 
mee te zingen. Verleden maand hebben 
zuster Simpson en ik een geweldige 
avond gehad toen wij het koorfestival 
van deze ring bijwoonden. Iedere unit 
deed eraan mee. Eén kleine gemeente 
trad zelfs op met een koor dat haast 
evenveel leden telde als de hele gemeen- 
te. Ieder koor telde een aanzienlijk aan- 
tal niet-leden van de kerk. Eén koor be- 
stond zelfs voor een derde uit onderzoe- 
kers. In alle koren zongen pas gedoopte 
leden mee. Allen waren in het wit ge- 
kleed. Er was goed geoefend. Het was 
een uitzonderlijk opbouwende avond; 
het was een uitzonderlijk voorbeeld van 
de zegeningen die ontvangen kunnen 
worden wanneer men de aanwijzingen 
van de profeet opvolgt. Heeft uw wijk of 
gemeente een koor? Vraagt u niet-leden 
om mee te zingen? Doen! 
En dan nog deze overweging. De kerk 
telt meer dan 7.000 wijken en gemeen- 
ten. Hoe zou het zijn als ieder van deze 
wijken en gemeenten zich ertoe zette om 
slechts één gezin per jaar tot de kerk te 
brengen? We zouden een man met zijn 
vrouw uit kunnen nodigen, en die zullen 
misschien twee of drie kinderen hebben. 
Als dit vijf leden tellende gezin kon wor- 
den uitgenodigd om met ons in het koor 
te zingen, en als zij bekeerd werden, zou- 
den we vijf keer 7.000, dus 35.000 nieuwe 
leden maken naast al het andere dat wij 
al doen - geen onaanzienlijk resultaat! 
En dit zijn de vruchten die wij kunnen 



47 



plukken als wij doen wat de profeet van 
ons vraagt. 

Zij die zijn uitverkoren om alles wat de 
Vader heeft te beërven, moeten reeds 
vroeg leren dat een huisonderwijsop- 
dracht belangrijker is dan welk TV- 
programma of andere wereldlijke bezig- 
heid ook. Wanneer onze innerlijke stem 
ons iets influistert - laten wij het dan 
doen, en wel meteen! 
Geestelijke gevoeligheid is een gave die 
vrijelijk wordt geschonken aan allen die 
gewillig zijn hun best te doen en is be- 
stemd voor hen die het verlangen heb- 
ben te dienen en met kloekmoedigheid 




de eerste stap te nemen - zelfs wanneer 
het hen persoonlijk niet goed uitkomt. 
Naarmate wij ons leven ingewikkelder 
maken, gaan wij de gaven van de Geest 
tegen. 

De Heiland onderwees zo eenvoudig, zo 
prachtig, terwijl de zogenaamde moder- 
ne beschaving zoveel frustraties in ons 
leven heeft gebracht. Het is alsof de hui- 
dige maatschappij een mate van gekun- 
steldheid van ons levenspatroon vergt 
die maar al te vaak niet verenigbaar is 
met de meer belangrijke eeuwige 
doelstellingen. 

Toen zuster Simpson en ik enige dagen 
geleden samen langs de Queen Street in 
Auckland (Nieuw-Zeeland) liepen, kwa- 
men we bij een bepaalde plek, niet ver 
van de kaai. Wij hielden daar een ogen- 
blik stil en ik vertelde haar over iets dat 
precies op die plaats was voorgevallen 
op mijn eerste zending. 
In gedachten zag ik nog steeds het hoog- 
bejaard Maori-echtpaar dat samen met 
duizenden anderen daar op de stoep had 
gestaan om het Maori-bataljon uit te 
wuiven dat op transport werd gesteld 
naar het oorlogsfront. 
Het oude echtpaar raakte van streek, 
toen een van de jonge soldaten met een 
glimlach op zijn gezicht hun kant op- 
keek. Zij spraken samen in de Maori- 
taal, maar ik was in staat uit hun woor- 
den op te maken dat dit hun achterklein- 
zoon was die de oorlog tegemoet trok. 
Hij zou een atoomoorlog meemaken, 
met moderne wapens waarmee duizen- 
den tegelijk gedood kunnen worden - 
een geheel ander soort strijd dan de 
Maori-oorlogen aan het eind van de vo- 
rige eeuw, waaraan zijn overgrootvader 
had deelgenomen als jonge krijgsman 
van zijn stam. 

Spoedig was de jongen uit het zicht ver- 
dwenen, en op dat moment keerde de 
oude man zich tot zijn vrouw en zei (wel- 
licht was cynisch): „Ka tahi kua pakeha 



48 



tatou," wat zoveel betekent als: ,,Nu zijn 
wij dus beschaafd." Wat is beschaving? 
Wat is vooruitgang? Wat is er precies 
belangrijk en wat niet? De Schriften le- 
ren ons dat Gods wegen niet des mensen 
wegen zijn. Een waarachtiger woord is 
nooit gesproken. 

Volgens het geopenbaarde woord van 
God is er slechts één, allesomvattend, 
doel met deze wereld, en dat is het tot 
stand brengen van de onsterfelijkheid en 
het eeuwige leven van allen die hier wat 
jaren komen wonen. 
Zoals wij weten, werd het eerste gedeelte 
van de onsterfelijkheid tot stand ge- 
bracht door het zoenoffer van de Hei- 
land. Iedereen, ongeacht zijn ras, kleur, 
geloof of daden, zal leven na de dood en 
voordeel trekken uit deze gave, die God 
ons onvoorwaardelijk heeft gegeven. 
Voor de verdere verwerving van het eeu- 
wige leven of de verhoging, wordt een- 
voudig vereist dat men zich voegt naar 
Christus' leerstellingen en de beginselen 
van het priesterschap. Hiervoor moet 
echter ieder mens persoonlijk overtuigd 
zijn van of bekeerd worden tot de regels 
en levensstijl; die moeten dan worden 
geleerd en nageleefd om dit uiteindelijke 
en hoogste doel van alle eeuwigheid te 
bereiken. 

Het is zeer aangrijpend te merken hoe 
oprechte mensen het evangelie met heel 
hun hart aanvaarden. 
He Heiland sloot niemand buiten zijn 



invloedssfeer, en hetzelfde geldt voor 
zijn werk in deze tijd. Ik ken een bankier 
in Boston die zich maandag naar huis zal 
reppen voor de gezinsavond; evenals een 
andere goede broeder die ik ken en die 
een kleine boerderij bezit in de bergen 
van Peru. Ik ken ook een jonge vader die 
op het eiland Vava'u in Tonga woont, en 
getrouw per kano op huisonderwijs 
gaat; net zo trouw als de jonge zaken- 
man die ik in Londen ken die zijn hui- 
sonderwijsopdracht getrouw vervult. 
Die oude Maori-o vergrootvader had al- 
le recht de waarden van de zogenaamde 
beschaving die hem was opgedrongen in 
twijfel te trekken. Wij leven in een 
atoomtijdperk vol automatisering, vol 
dingen, waar wij een goed gebruik van 
dienen te maken. 

Wanneer verfijnde methoden en auto- 
matische hulpmiddelen ons meer tijd 
kunnen verschaffen om het mensdom 
bekend te maken met Gods eeuwige be- 
ginselen, dan zijn wij rijkelijk gezegend. 
Wanneer ze ons echter alleen maar hel- 
pen „grotere stappen" te doen in een 
verkeerde richting, dan heeft de tegen- 
stander weer een ronde gewonnen. 
Dat wij gezegend mogen wordenViet het 
vermogen de harten te beroeren en te 
verheffen terwijl wij in de voetsporen 
van de Meester en het voorbeeld van zijn 
levende profeet treden en eenvoudigweg 
doen, is mijn gebed in de naam van Jezus 
Christus. Amen. □